Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/364:364 Andere bevoegdheden om een vordering opeisbaar te maken
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/364
364 Andere bevoegdheden om een vordering opeisbaar te maken
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 08-05-2026
- Datum
08-05-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD104859:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Denkbaar is dat de vordering op een andere wijze dan door opzegging ervan opeisbaar kan worden gemaakt. In welke gevallen het recht om de vordering anders dan door opzegging ervan opeisbaar te maken naar geldend recht (mede) aan de inningsbevoegde pandhouder toekomt is onduidelijk. Of het recht aan de pandhouder toekomt, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld.
Heeft uitoefening van het recht met betrekking tot de verpande vordering(en) uitsluitend gevolgen voor die vordering(en), is het geen recht dat de positie van de pandgever ingrijpend wijzigt én is het geen persoonlijk recht van de pandgever, dan is uitoefening ervan door de pandhouder in overeenstemming met de aan het begin van dit hoofdstuk geformuleerde uitgangspunten. In dat geval is aannemelijk dat het recht voor wat betreft de verpande vordering(en) door de inningsbevoegde pandhouder kan worden uitgeoefend. Een recht dat er toe strekt een vordering opeisbaar te maken, is immers bij uitstek een recht dat direct in verband staat met de inning ervan.
Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de bepaling in een overeenkomst van geldlening dat de vordering opeisbaar wordt indien, een beëdigd taxateur op verzoek van de schuldeiser verklaart dat de waarde van een object waarop als zekerheid voor de betaling van de vordering een pand- of hypotheekrecht is gevestigd lager is dan een bepaald bedrag. Het recht om het betreffende object te laten taxeren, komt mijns inziens aan de inningsbevoegde houder van een pandrecht op de vordering uit de overeenkomst van geldlening toe, tenzij het beding zo moet worden uitgelegd dat het een recht is dat uitsluitend door de schuldeiser-pandgever kan worden uitgeoefend, hetgeen bij dit voorbeeld niet voor de hand ligt. Dat dit recht kan worden uitgeoefend door de pandhouder, hoeft er niet aan in de weg te staan dat dit wordt uitgeoefend door de pandgever; bezwaarlijk lijkt mij dat niet.
Kan de vordering opeisbaar worden gemaakt door de uitoefening van een (wils)recht dat niet of niet alleen betrekking heeft op de uit de overeenkomst voortvloeiende vordering(en), maar ook op andere onderdelen van de overeenkomst of zelfs de gehele overeenkomst, dan is het wenselijk dat de pandgever exclusief bevoegd blijft dit recht uit te oefenen. Wordt een verpande vordering bijvoorbeeld opeisbaar indien de schuldeiser gebruik maakt van een recht om aandelen in het kapitaal van de debiteur te kopen, dan komt dit recht niet voor uitoefening door de pandhouder in aanmerking.
Een ander voorbeeld van een recht om een vordering opeisbaar te maken, is het recht om een beroep te doen op een bankgarantie. Door uitoefening van deze ‘claimbevoegdheid’ wordt de vordering van de begunstigde op de bank, die door het stellen van de bankgarantie is ontstaan, opeisbaar. Het opeisbaar maken van een vordering uit een bankgarantie wordt behandeld in een separate paragraaf (paragraaf 12.9.1). Voor die afzonderlijke behandeling is gekozen omdat een pandrecht op een vordering waarvoor een bankgarantie is gesteld alsook een pandrecht op een vordering uit een bankgarantie nog een aantal andere vragen oproept.