De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/1.2.2.1:1.2.2.1 Het conceptwetsvoorstel van de Werkgroep Personenvennootschappen
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/1.2.2.1
1.2.2.1 Het conceptwetsvoorstel van de Werkgroep Personenvennootschappen
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390334:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Olffen e.a. 2016, p. iv.
Van Olffen e.a. 2016, p. 9-11.
‘Naar een nieuwe regeling voor de Personenvennootschap’, ZIFO & Van der Heijden Instituut, 15 juni 2016 te Amsterdam. Zie voor een verslag Mathey-Bal 2016b.
Zie bijvoorbeeld Boschma & Wezeman 2016.
Van Olffen e.a. 2016, p. iv.
Het is immers de vraag of het uiteindelijke voorstel van de werkgroep tot wetsvoorstel verwordt en vervolgens of dit wetsvoorstel – tegen de achtergrond van de geschiedenis van titel 7.13 – uiteindelijk ingevoerd zal worden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals al kort aan de orde kwam in paragraaf 1.1, is de Werkgroep Personenvennootschappen in 2012 naar aanleiding van de intrekking van titel 7.13, onder leiding van Van Olffen, een particulier initiatief gestart om toch te komen tot een nieuwe wettelijke regeling voor de personenvennootschappen. De werkgroep was samengesteld uit juristen en fiscalisten uit de praktijk, wetenschap en het bedrijfsleven die werden verbonden door een bijzondere interesse voor de personenvennootschappen. Het doel van de werkgroep was om, met de ‘bagage van het ingetrokken Wetsvoorstel titel 7.13 op de rug’ een aanzet te geven tot een nieuwe wettelijke regeling voor de personenvennootschap, waarin aanbevelingen zijn opgenomen voor het oplossen van knelpunten en lacunes in het huidige recht en zo bij te dragen aan de noodzakelijke modernisering en innovatie van dit rechtsgebied. Omdat het, zoals gezegd, – onder andere vanwege het feit dat de tegenstellingen bij de verschillende onderwerpen groot zijn – niet te verwachten is dat de wetgever op (relatief) korte termijn met een nieuw voorstel komt en de werkgroep het niet wenselijk achtte dat er nog lange tijd met de huidige wettelijke regeling moet worden ‘voortgeploeterd’, is zij zelf met een nieuw voorstel gekomen.1
De werkgroep heeft bij het opstellen van dit voorstel vooral aandacht geschonken aan het lokaliseren van de knelpunten en lacunes van het huidige personenvennootschapsrecht en het aandragen van oplossingen hiervoor. Onder het (hoofd)motto ‘If it ain’t broke, don’t fix it’ heeft de werkgroep zich door de volgende uitgangspunten laten leiden:
het voorzien in een nieuwe regeling die neergelegd is in één wet;
het voorzien in een wettelijke regeling die enerzijds zoveel mogelijk voorziet in een spoorboekje en anderzijds zoveel mogelijk vrijheid aan ondernemers biedt om hun samenwerking, op basis van regelend recht, ‘custom made’ in te richten;
het elimineren van niet effectieve regels en verminderen van (administratieve) lasten;
het bieden van een gebalanceerde bescherming van crediteuren;
het beperken van rechtsonzekerheid;
het faciliteren van de behoeften van de nationale en internationale praktijk.2
De belangrijkste vernieuwingen uit het conceptwetsvoorstel zien op de materiële kenmerken van de personenvennootschap, een beperking van aansprakelijkheid voor beroepsfouten, het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid, de bestuurs -en vertegenwoordigingsregels, aansprakelijkheidsregels bij toe- en uittreden van de vennoten, herstructureringsmogelijkheden en een ontbindings- en vereffening regeling. De werkgroep heeft tevens aandacht geschonken aan de fiscale implicaties van de voorgestelde wijzigingen.
Op 15 juni 2016 vond een congres3 plaats waarin het rapport en het conceptwetsvoorstel van de werkgroep werden gepresenteerd en ook direct bediscussieerd. De reacties op het voorstel waren over het algemeen positief.4 Duidelijk werd echter ook dat er verschillende punten in het voorstel waren die een nadere toelichting of uitwerking verdienden. De werkgroep heeft naar aanleiding van de reacties het voorstel verduidelijkt of aangepast. Op 26 september 2016 zijn het definitieve rapport en het bijbehorende voorstel voor een nieuwe wettelijke regeling aangeboden aan de Minister van Veiligheid en Justitie.5 De wetgever is nu dus aan zet.
Omdat het voorstel van de werkgroep nog in ontwikkeling is en de toekomst van een daarop gebaseerd wetsvoorstel van de regering (derhalve) onzeker,6 zal het (voorstel) slechts in beperkte mate aan de orde komen in dit onderzoek.