Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/I.4
4 Afbakening onderzoek: continuïteit en afscheiding van bestanddelen
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:BSD13543:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur wordt een onderscheid gemaakt tussen afscheiding (na afscheiding van een bestanddeel blijft de oorspronkelijke zaak bestaan) en splitsing (door de afscheiding gaat de oorspronkelijke zaak teniet). Zie over dit onderscheid Hoofdstuk 4, §4.7.12.
Zie bijvoorbeeld: Vermeulen (2020); Van der Plank, TBR (2019/89); Preadvies Vereniging voor Bouwrecht (2018), Circulair Bouwen.
Voor roerende zaken zie art. 5:14 BW lid 1: “De eigendom van een roerende zaak die een bestanddeel wordt van een andere roerende zaak die als hoofdzaak is aan te merken, gaat over naar de eigenaar van deze hoofdzaak.” Lid 2: “Indien geen der zaken als hoofdzaak is aan te merken en zij toebehoren aan verschillende eigenaars, worden deze mede-eigenaars van de nieuwe zaak, ieder voor een aandeel evenredig aan de waarde van de zaak.” Lid 3: “Als hoofdzaak is aan te merken de zaak waarvan de waarde die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft of die volgens verkeersopvatting als zodanig wordt beschouwd.” Voor onroerende zaken zie art. 5:20 lid 1 BW: “De eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt: a. de bovengrond; b. de daaronder zich bevindende aardlagen; c. het grondwater dat door een bron, put of pomp aan de oppervlakte is gekomen; d. het water dat zich op de grond bevindt en niet in open gemeenschap met water op eens anders erf staat; e. gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak; f. met de grond verenigde beplantingen.” Lid 2: “In afwijking van lid 1 behoort de eigendom van een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd, toe aan de bevoegde aanlegger van dat net dan wel aan diens rechtsopvolger.”
Zie bijvoorbeeld: Fikkers, (1999), Ploeger (1997), Wiggers (2002), Van der Plank (2016).
Zie meer hierover: Hoofdstuk 4, §4.7.5.
Voor dit onderzoek is gekozen om de continuïteitsgedachte te behandelen vanuit het leerstuk van de afscheiding. Met afscheiding wordt bedoeld dat een bestanddeel fysiek wordt losgemaakt of dat een zaak fysiek in verschillende delen wordt gesplitst.1
Een eenvoudig voorbeeld. Een vaas is verpand. Op de vaas rusten derhalve een eigendomsrecht en een pandrecht. De vaas valt in drie stukken op de grond. Wat gebeurt er met het eigendomsrecht en het pandrecht? Splitsen die rechten, net als de vaas zelf, zich automatisch op, zodat op de drie stukken drie afzonderlijke eigendomsrechten en pandrechten komen te rusten? Of gaan de rechten teniet? Of komen zij op slechts één stuk te rusten, bijvoorbeeld het grootste stuk? Dezelfde vragen rijzen wanneer een bestanddeel van een zaak, bijvoorbeeld een motor of een machine, wordt afgescheiden van respectievelijk de auto of de fabriek. Wat zijn de zakenrechtelijke gevolgen van deze afscheiding?
Voor de keuze van het onderzoek naar “afscheiding” zijn verschillende redenen aan te voeren. Allereerst kent de Nederlandse wet geen afzonderlijk wetsartikel dat de zakenrechtelijke gevolgen van afscheiding regelt. Wél kent ons BW verschillende afscheidingsrechten, de zogenaamde iura tollendi. Een centrale vraag in dit onderzoek is wat de gevolgen zijn van afscheiding in het algemeen en in het bijzonder indien afscheiding plaatsvindt op basis van een afscheidingsrecht. Een tweede reden voor het onderzoek is gelegen in de schaarse behandeling van dit onderwerp in de literatuur, hoewel de laatste jaren de belangstelling wel is toegenomen.2 Een derde argument is gelegen in de continuïteitsvragen die de afscheiding oproept. Deze vragen hebben niet alleen betrekking op de zakenrechtelijke gevolgen van de afscheiding, maar raken een ander nauw verbonden leerstuk: de natrekking. De natrekking komt daarom uitgebreid in dit onderzoek aan bod, omdat zij dikwijls voorafgaat aan de afscheiding. Alleen hetgeen verbonden is, kan immers worden afgescheiden. Over de natrekking bestaan, anders dan over de afscheiding, wettelijke regels in het BW3 en over het leerstuk is veel literatuur beschikbaar.4 Deze bronnen kunnen helpen bij het in kaart brengen van de rechtsgevolgen van de afscheiding. De regels omtrent natrekking conflicteren met het beginsel dat zakelijke rechten moeten continueren. De continuïteitsgedachte wordt afgezet tegen enkele goederenrechtelijke beginselen, zoals het eenheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het publiciteitsbeginsel.
Buiten het onderzoek vallen de gevallen waarin sprake is van zaaksvorming. Dit heeft te maken met het feit dat zaaksvorming, anders dan natrekking, niet het spiegelbeeld van afscheiding is. Door de vormende arbeid gaat een zakelijk recht teniet, terwijl er bij de afscheiding geen sprake is van vormende arbeid.5