Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/236:236 Wenselijk recht?
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/236
236 Wenselijk recht?
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 17-11-2025
- Datum
17-11-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD34349:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zijn de door de Hoge Raad in de arresten Mulder q.q./CLBN en ING/Verdonk q.q. geformuleerde normen inzake de rechten en verplichtingen van de curator en de stil pandhouder in overeenstemming met het wenselijke recht? De oplettende pandhouder zal op grond van die normen veelal kunnen voorkomen dat hij zich niet buiten de boedel om kan verhalen op de opbrengst van een stil verpande vordering. Raadpleegt hij regelmatig de publicatie van uitgesproken faillietverklaringen, dan zal hij binnen de door de curator te hanteren redelijke termijn mededeling van zijn pandrecht kunnen doen.
De situatie dat de stil pandhouder zich niet als separatist op het geïnde kan verhalen, zal zich dan nog uitsluitend voordoen als de curator de vordering passief heeft geïnd en deze niet is betaald op een door de pandgever bij de pandhouder aangehouden bankrekening. In dat geval is het gerechtvaardigd dat de pandhouder geen verhaal buiten de boedel om kan nemen; de pandhouder die genoegen neemt met een stil pandrecht moet accepteren dat zijn verhaalspositie verslechtert indien de debiteur van de verpande vordering, zonder daartoe door de curator te zijn aangespoord, zijn schuld aan de curator voldoet. Samengevat: door de op de curator rustende verplichting om de stil pandhouder een redelijke termijn te gunnen om mededeling van zijn pandrecht te doen, wordt recht gedaan aan de separatistpositie van de stil pandhouder.
De op de curator rustende verplichting om de pandhouder een redelijke termijn te gunnen om mededeling van zijn pandrecht te doen, voorkomt dat de pandhouder zich genoodzaakt ziet om reeds vóór of zeer snel na de faillietverklaring van de pandgever, voor hij overleg heeft kunnen hebben met de curator, mededeling van zijn pandrecht te doen. Het voortijdig mededeling doen door de pandhouder heeft een aantal nadelen. Het leidt tot onnodige kosten als de inning vervolgens toch aan de curator wordt overgelaten. Debiteuren die de mededeling krijgen dat een vordering op hen verpand is, zullen daaruit in veel gevallen afleiden dat de pandgever in moeilijkheden verkeert. Dit kan er toe leiden dat zij betaling op oneigenlijke gronden opschorten of proberen onder betaling uit te komen. Het incassoresultaat kan daardoor negatief worden beïnvloed. Komt de pandhouder met de curator na mededeling van het pandrecht overeen dat deze de verpande vorderingen int of onderhands verkoopt, dan kan dat tot verwarring bij de debiteuren leiden; zij ontvangen eerst de mededeling dat zij moeten betalen aan de pandhouder en vervolgens de mededeling dat zij (toch) moeten betalen aan de curator casu quo de koper. Ook dit kan het incassoresultaat negatief beïnvloeden. Dat is niet alleen nadelig voor de pandhouder, maar tevens voor de pandgever en diens overige crediteuren.
Met zijn arrest ING/Verdonk q.q. doet de Hoge Raad ook recht aan de specifieke functie van het stil pandrecht. Buiten faillissement van de pandgever zal de pandhouder (mede) van mededeling afzien omdat hij geen verhaal wenst te nemen voor zijn vordering en omdat (in geval van bedrijfsfinancieringen met als zekerheid pandrechten op de debiteurenportefeuille van de kredietnemer) de vorderingen die tenietgaan worden vervangen door eveneens, eventueel bij voorbaat, aan de pandhouder verpande vorderingen. Na faillietverklaring van de pandgever liggen de kaarten anders. Dan staat vast dat de pandhouder geen pandrecht meer zal krijgen op toekomstige vorderingen van de pandgever, ongeacht of daarop bij voorbaat een pandrecht is gevestigd vóór de faillietverklaring van de pandgever.1 Het ligt dan zeer voor de hand dat de stil pandhouder zijn pandrecht zal willen uitoefenen door de stil verpande vorderingen te innen en zich uit het geïnde te voldoen. Het is gerechtvaardigd dat hij daartoe ook de gelegenheid krijgt.2
Ik concludeer dat de door de Hoge Raad in de arresten Mulder q.q./CLBN en ING/Verdonk q.q. gegeven regels in overeenstemming zijn met het wenselijke recht.