Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.4.3.1
2.4.3.1 Opzegging van overeenkomsten
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379218:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Zoals voor de huurovereenkomst (art. 7:228 jo. 7:271 BW), arbeidsovereenkomst (art. 7:667 BW), verzekeringsovereenkomst (art. 7:938 e.v. BW) en maatschapsovereenkomst (art. 7A:1686 BW). Boek 8 bevat talrijke bepalingen over opzegging van vervoersovereenkomsten, zie art. 8:25, 8:65, 8:68, 8:88, 8:89, 8:90, 8:390, 8:392, 8:396, 8:425, 8:524, 8:525, 8:527, 8:908, 8:912, 8:935, 8:993, 8:1109, 8:1101, 8:1112, 8:1113, 8:1116, 8:1162, 8:1163, 8:1165, 8:1186, 8:1188, 8:1189, 8:1193, 8:1362, 8:1363, 8:1407, 8:1408, 8:1410 en 8:1716 BW. Een ander voorbeeld is opzegging van de volmacht door de gevolmachtigde, art. 3:72 sub d. Zie over deze figuur uitgebreid Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/55.
Strijbos 1986, p. 17; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/101; HR 16 september 2011, NJ 2011/572 (Batavus/Vriendās Tweewielercentrum); HR 8 december 1989, NJ 1990/452.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 159 (TM), 161 (MvA II), 185 (TM), 187 (VV II en MvA II), 222 (MvA II), 1123 (MvA II Inv.); Handelingen I 1953-1954, 15 december 1953, p. 2055.
Van de Paverd 1999, p. 61.
Strijbos 1985, p. 115; Van de Paverd 1999, p. 93; De Vries 1990, p. 170. De wet stelt voor de opzegging van bepaalde overeenkomsten een vormvoorschrift. Zo geschiedt opzegging van een huurovereenkomst krachtens art. 7:271 lid 3 BW bij exploit.
Groene Serie Huurrecht, art. 7:271 BW, aant. 2.2.1, E.E. de Wijckersloot-Vinke.
Strijbos 1985, p. 114.
HR 16 september 2011, NJ 2011/572 (Batavus/Vriendās Tweewielercentrum).
Strijbos 1985, p. 120.
Zie over het contractueel afwijken van de wettelijke opzegtermijn voor arbeidsovereenkomsten HR 1 mei 2015, RvdW 2015/630.
Van de Paverd 1999, p. 111; Strijbos 1985, p. 123 e.v.
De Hoon 2005, p. 20; HR 30 juni 1995, NJ 1996/52. In HR 22 april 2005, NJ 2005/285 werd bepaald dat een werkgever op verzoek of met instemming van de werknemer kan terugkomen op een rechtsgeldige, maar onregelmatige opzegging.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 185 (TM en MvA II). Zie ook Strijbos 1985, p. 135.
W. Snijders 1999 I, p. 564.
HR 11 december 2009, NJ 2010/97.
Strijbos 1985, p. 81 en 134.
Groene Serie Huurrecht, art. 7:271 BW, aant. 2.3.1 en 2.6, E.E. de Wijckersloot- Vinke.
Hof Amsterdam 14 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ7410; Rb. Haarlem 11 maart 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BL7818. Zie ook Hof ās-Gravenhage 25 augustus 2006, te kennen uit HR 26 september 2008, RvdW 2008/ 899, waarin een beroep op dwaling werd afgewezen, maar niet omdat de dwalingsregeling niet van toepassing zou zijn op een opzegging.
HR 12 juni 2009, NJ 2009/272.
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, NJF 2015/202.
HR 28 oktober 2011, NJ 2012/685 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin); HR 14 juni 2013, NJ 2013/341 (Auping/Beverslaap). Vgl. HR 3 december 1999, NJ 2000/120, en daarover J.G.J. Rinkes, āOpzegging van distributieovereenkomstenā, O&F 2000/ 44, p. 2. Zie ook bijv. Rb. Utrecht 18 april 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BA3564.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/409. Art. 7A:1686 BW bepaalt dat opzegging van een vennootschapsovereenkomst in strijd met de redelijkheid en billijkheid vernietigbaar is.
HR 15 april 1966, NJ 1966/302, m.nt. GJS.
Noot A.R. Bloembergen bij HR 16 december 1977, NJ 1978/156; HR 12 mei 1989, NJ 1989/614; HR 21 juni 1991, NJ 1991/742 (Mattel/Borka).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/408; HR 21 oktober 1994, NJ 1995/78; HR 16 december 1977, NJ 1978/156.
HR 21 oktober 1988, NJ 1990/439 (Mondia/Calanda); Hof Arnhem-Leeuwarden 6 augustus 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD9782; Hof ās-Hertogenbosch 3 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:333.
Van de Paverd 1999, p. 89. Zie Hof ās-Hertogenbosch 16 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2187 voor een geval waarin het handhaven van de opzegtermijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid werd geacht.
HR 10 oktober 2014, JOR 2015/8 (ING/De Keijzer Beheer).
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/409.
Zie voor een overzicht van wettelijke vergoedingsplichten De Hoon 2005, p. 22-23. Art. 8:28 BW bepaalt dat partijen na opzegging van een overeenkomst tot goederenvervoer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid verplicht zijn elkaar de daardoor geleden schade te vergoeden. Een in het oog springende regel geldt voor de opzegging van de overeenkomst tot aanneming van werk, die de opdrachtgever blijkens art. 7:664 BW te allen tijde bevoegd is op de zeggen. Hij moet ingevolge lid 2 de voor het gehele werk geldende prijs betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien.
Zie bijv. HR 12 juni 2015, NJ 2015/437 over opzegging van het lidmaatschap van een coƶperatie, waardoor op grond van de statuten schadevergoeding verschuldigd werd.
HR 3 december 1999, JOR 2000/17 (LISV).
HR 12 november 1993, NJ 1994/229 m.nt. WMK (Frima q.q./Blankers).
HR 21 juni 1991, NJ 1991/742 (Mattel/Borka); W.L. Valk, āOpzegging van duurovereenkomsten na Gemeente/SNU en Stedinā, NTBR 2012/25.
40. In met name boek 7 en 8 BW zijn talrijke bepalingen opgenomen voor de opzegging van overeenkomsten.1 Een overeenkomst kan worden opgezegd met een gerichte eenzijdige rechtshandeling.2 In de parlementaire geschiedenis is de opzegging een veelgenoemd voorbeeld van een eenzijdige rechtshandeling.3 Het rechtsgevolg van opzegging is dat de overeenkomst eindigt. Indien in de overeenkomst een uitgebreidere mogelijkheid tot opzegging is geregeld dan waar de wet recht op geeft, dan is de bevoegdheid tot opzegging weliswaar contractueel van aard, maar het opzeggen zelf, de uitoefening van het wilsrecht, is nog steeds een eenzijdige rechtshandeling. Het rechtsgevolg treedt in door de wilsverklaring van de opzeggende partij, de wederpartij hoeft de opzegging niet te aanvaarden.
Van de Paverd schrijft dat opzegging wordt beheerst door de regels van het algemeen vermogens- en contractenrecht, daaronder begrepen wat partijen specifiek zijn overeengekomen.4
De opzeggingsverklaring is in beginsel vormvrij.5 Opzegging kan stilzwijgend geschieden, bijvoorbeeld door te stoppen met leveren. Of een wilsverklaring kan worden gekwalificeerd als opzegging, moet volgens De Wijckersloot-Vinke worden bepaald aan de hand van de Haviltex-maatstaf.6 De verklaring moet volgens Strijbos duidelijk en ondubbelzinnig zijn, omdat anders de opzegging niet als zodanig kenbaar is.7
Opzegging mag niet strijdig zijn met de wet. De Hoge Raad besliste dat het karakter van de opzegging als eenzijdige rechtshandeling er niet aan in de weg staat dat de opzegging nietig kan zijn wegens strijd met art. 6 Mw, als zij voortvloeit uit, deel uitmaakt van of in voldoende mate samenhangt met een verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging.8 Als een overeenkomst wordt opgezegd zonder dat daartoe de bevoegdheid bestaat, blijft de opzeggingsverklaring zonder rechtsgevolg.9 Als wel opgezegd kan worden, maar dat gebeurt in strijd met daarvoor geldende regels, bijvoorbeeld omdat niet de vereiste opzegtermijn10 in acht is genomen, spreekt men van een onregelmatige opzegging. Strijbos en Van de Paverd schrijven dat onregelmatige opzegging nietigheid tot gevolg heeft, hoewel conversie in bepaalde gevallen mogelijk is.11 De Hoon schrijft daarentegen, en dat blijkt ook uit rechtspraak, dat schadevergoeding verschuldigd kan zijn (bijvoorbeeld bij arbeid en agentuur) of dat de opzegging kan worden geconverteerd in een redelijke termijn (bij de maatschapsovereenkomst).12
41. In de parlementaire geschiedenis wordt de opzegging als voorbeeld genoemd van een rechtshandeling waarbij de aard zich verzet tegen het verrichten ervan onder voorwaarde, behoudens uitzonderingen, zoals een opzegging onder voorwaarde waarbij de opzegtermijn slechts gaat lopen vanaf het tijdstip van vervulling.13 Voorwaardelijke opzegging is alleen toelaatbaar als de wederpartij instemt met het voorwaardelijk karakter. Heerma Van Voss meent echter dat opzegging van een arbeidsovereenkomst wel onder voorwaarde kan geschieden.14 W. Snijders ziet geen bezwaar in opzegging onder de voorwaarde dat men een daarvoor benodigde vergunning of toestemming krijgt.15
Volgens de Hoge Raad kan een opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever alleen worden ingetrokken met instemming van de werknemer.16 Strijbos schrijft dat een opzegging niet kan worden ingetrokken, nu dat zou neerkomen op het eenzijdig weer tot stand brengen van een overeenkomst.17 De Wijckersloot-Vinke onderschrijft dat uitgangspunt, maar geeft aan dat de opzegging wel kan worden vernietigd op grond van dwaling.18 Een beroep op vernietiging van de opzegging wegens dwaling is in lagere rechtspraak enkele malen gehonoreerd.19
Voor bijzondere overeenkomsten kan een specifieke opzeggingsregeling gelden. Zo bevat art. 7:295 BW een bijzondere bepaling voor opzegging van huur van een bedrijfsruimte. Als een verhuurder de huurovereenkomst opzegt en de huurder stemt daar niet binnen zes weken schriftelijk mee in, dan kan de verhuurder in rechte vorderen dat de rechter het tijdstip vaststelt waarop de overeenkomst zal eindigen. Tot de beslissing van de rechter onherroepelijk is geworden, blijft de overeenkomst in stand. De vraag rijst dan welk rechtsgevolg de opzeggingsverklaring in het leven roept. Als de verhuurder na de opzegging en het uitblijven van toestemming van de huurder geen vordering in rechte instelt, blijft de overeenkomst geldig. De opzeggingsverklaring vervalt echter ook niet ā de wet stelt geen termijn waarbinnen een vordering in rechte moet worden ingesteld. Volgens de Hoge Raad volgt uit het stelsel van de wet niet dat een dergelijke vordering uiterlijk moet worden ingesteld vóór de datum waartegen de overeenkomst wordt opgezegd.20 De opzeggingsverklaring leidt dus een zwevend bestaan. Omdat dat de huurder voor onbepaalde tijd in onzekerheid zou laten, oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden dat de verhuurder de opzeggingsverklaring ook weer kan herroepen.21 Het alternatief, onherroepelijkheid van de verklaring, zou in strijd zijn met het voor de huurder rechtsbeschermende karakter van de artt. 7:290 e.v. BW. Ik zie niet goed in hoe een herroepingsmogelijkheid voor de verhuurder gunstig uitwerkt voor de huurder. Onzekerheid bij de huurder over het al dan niet voortbestaan van de huurovereenkomst kan beter worden gelenigd door de huurder de mogelijkheid toe te kennen om een termijn te stellen waarbinnen de verhuurder moet besluiten al dan niet een vordering in rechte in te stellen, waarbij de opzeggingsverklaring vervalt als de verhuurder niet binnen die termijn ageert.
42. Als wet en overeenkomst geen uitsluitsel bieden, is het uitgangspunt dat een duurovereenkomst opzegbaar is. De redelijkheid en billijkheid kunnen echter in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging moet bestaan.22 Als een opzeggingsbevoegdheid bestaat en wet of overeenkomst geven geen specifieke regels, wordt de inhoud van het opzeggingsrecht bepaald door de redelijkheid en billijkheid.23 Hierbij valt te denken aan voorwaarden waaronder gebruik mag worden gemaakt van de opzeggingsbevoegdheid,24 of er een opzeggingstermijn in acht moet worden genomen en zo ja, van welke duur, en of schadevergoeding is verschuldigd.25
Een overeenkomst voor onbepaalde tijd waarin de bevoegdheid tot eenzijdige opzegging is uitgesloten, kan toch opzegbaar zijn als de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat instandhouding niet kan worden gevergd.26 Dit geldt ook voor overeenkomsten voor bepaalde tijd, wanneer onvoorziene omstandigheden zich voordoen die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.27
Anderzijds kan op grond van de redelijkheid en billijkheid een opzeggingsbevoegdheid opzijgezet worden.28 De Hoge Raad heeft bepaald dat het uitoefenen van een overeengekomen opzeggingsbevoegdheid van een kredietrelatie door de bank niet rechtsgeldig is, als opzegging onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.29
Ten slotte doet het geval zich voor dat een partij opzegt op een andere manier dan was overeengekomen, en zich tegen een beroep op die afwijking door de wederpartij verweert door te stellen dat dat beroep in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Hartkamp en Sieburgh schrijven dat de lagere rechtspraak geneigd is dat verweer te honoreren als de opzegging ter kennis is gekomen van de wederpartij.30
43. Doordat de rechtsverhouding tussen partijen (gedeeltelijk) eindigt, doet opzegging verbintenissen tenietgaan. Daarnaast is voorstelbaar dat verbintenissen ontstaan. De verbintenis kan door de wet worden opgelegd, zonder dat partijen dat beogen, zoals de verplichting tot schadevergoeding ex art. 7:681 BW bij kennelijk onredelijke opzegging van een arbeidsovereenkomst.31 De opzeggingsverklaring kan ook zelf een verbintenis in het leven roepen.32 Voorbeelden zijn een verbintenis tot ontruiming van gehuurde woonruimte, tot teruggave van een gehuurde zaak, tot schadevergoeding, 33 het ontstaan van een loonaanspraak34 of van een verplichting tot affinanciering van de premievrije aanspraak op pensioen.35 Zoals hierboven aangestipt, kan opzegging aanleiding geven tot een schadevergoedingsverplichting, die niet door de wet wordt opgelegd en die de opzeggende partij evenmin zelf in het leven beoogde te roepen. De grondslag van de verbintenis wordt dan gezocht in de redelijkheid en billijkheid.36