De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.5.12:2.5.12 Verklaring van waardeloosheid
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.5.12
2.5.12 Verklaring van waardeloosheid
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375572:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/518; Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:28 BW, aant. 3, P.J. van der Plank.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Kadasterwet, p. 171 (Nader rapport). Zie ook Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:28 BW, aant. 6, P.J. van der Plank.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 149 (MvA II); Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 84.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
95. Indien een in de openbare registers ingeschreven feit waardeloos is, zijn op grond van art. 3:28 lid 1 BW degenen in wiens belang de inschrijving strekt verplicht om op verzoek van een onmiddellijk belanghebbende een schriftelijke verklaring af te geven. Deze verklaring van waardeloosheid kan in de registers worden ingeschreven. Een waardeloze inschrijving is een inschrijving zonder rechtens belang. Een inschrijving kan van meet af aan waardeloos zijn, zoals inschrijving van een onjuist feit of inschrijving van levering op grond van een nietige titel. Een ingeschreven feit kan ook later waardeloos worden, bijvoorbeeld omdat een titel voor levering vernietigd wordt.1
In de parlementaire geschiedenis wordt opgemerkt dat een verklaring van waardeloosheid een rechtshandeling kan zijn, als zij kan worden opgevat als prijsgeving van een beroep op het ingeschreven feit, of als een onderdeel van een vaststellingsovereenkomst, waarbij een einde wordt gemaakt aan een tevoren bestaande onzekerheid. Zij kan echter ook slechts een bewijsstuk zijn.2 Mijns inziens is de verklaring van waardeloosheid echter een feitelijke verklaring en geen wilsverklaring. Het is een weergave van een feitelijke of rechtstoestand, die een verkeerde voorstelling van zaken in de registers corrigeert. Daarnaast is er mijns inziens geen beoogd rechtsgevolg in de zin van art. 3:33 BW. Een verklaring die een hypotheek of een beslag betreft, heeft blijkens art. 3:28 lid 2 BW tot gevolg dat de bewaarder is gemachtigd het ingeschreven, waardeloze feit door te halen. Art. XVIII Herzieningswet Kadasterwet I bepaalt echter dat in afwijking van wat de wet voorschrijft, de bewaarder een waardeloos ingeschreven recht van hypotheek of een beslag niet doorhaalt. Dit staat nog los van het feit dat doorhaling een louter administratieve handeling was, die geen werkelijke verandering in een rechtstoestand bracht.3
Het gevolg van de verklaring van waardeloosheid is dat derden geen beroep meer kunnen doen op de bescherming tegen een onjuistheid in de registers van art. 3:25 en 3:26 BW, omdat de registers dan geen fout meer bevatten. Ook dit is echter geen beoogd rechtsgevolg van de verklaring, maar een gevolg van het feit dat de registers dan in overeenstemming met de werkelijkheid zijn.