Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/119:119 Plan van behandeling
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/119
119 Plan van behandeling
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD15912:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk wordt onderzocht welke kenmerken van een vordering op naam bepalen of deze vatbaar is voor verpanding. Uitgangspunt van de wet is dat een vordering kan worden verpand, tenzij de wet, de aard van de vordering of een beding tussen de schuldeiser en de schuldenaar zich daartegen verzet.1 Dit is in overeenstemming met het in hoofdstuk 2 geformuleerde uitgangspunt dat verpanding van vorderingen op ruime schaal mogelijk moet zijn: een vordering is verpandbaar, tenzij er een goede reden is om deze niet verpandbaar te doen zijn.2 Eén algemene regel waarmee voor iedere concrete vordering kan worden vastgesteld of deze al dan niet voor verpanding vatbaar is, is niet te geven.3 Wel kunnen eigenschappen van vorderingen worden onderscheiden die bepalen of een vordering voor verpanding vatbaar is. In de paragrafen 6.3 en 6.4 worden de verschillende te onderscheiden eigenschappen behandeld die bepalend zijn, casu quo naar mijn opvatting bepalend zouden moeten zijn, voor het antwoord op de vraag of verpanding van een vordering mogelijk is. Voor een goed begrip wordt in paragraaf 6.2 om te beginnen kort stilgestaan bij de vraag wat het object van een pandrecht op een vordering op naam is: wat is een vordering op naam en waarop rust een pandrecht op een vordering op naam?
In dit hoofdstuk blijft buiten beschouwing in hoeverre toekomstige vorderingen, gelet op de beperking van de mogelijkheid tot verpanding van toekomstige vorderingen in art. 3:239 lid 1 BW, kunnen worden verpand. Deze vraag komt aan de orde in hoofdstuk 8. De reden voor deze keuze is dat verpanding van en pandrecht op toekomstige vorderingen ook vragen oproepen die geen kenmerk van de vordering betreffen.
Eveneens blijft buiten beschouwing in hoeverre de bepaaldheid van de vordering een belemmering kan vormen voor de vestiging van een pandrecht daarop. Het bepaaldheidsvereiste wordt in het volgende hoofdstuk behandeld. De reden hiervoor is dat bepaaldheid geen eigenschap van de vordering is. Voor het ontstaan van een pandrecht op een vordering is weliswaar vereist dat de vordering voldoende bepaald is, maar voor het antwoord op de vraag of aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, is niet zozeer de vordering zelf, maar vooral de omschrijving ervan in de pandakte bepalend.