Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.8.1:II.6.8.1 Verlening van krediet is wel een dienst onder bezwarende titel
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.8.1
II.6.8.1 Verlening van krediet is wel een dienst onder bezwarende titel
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501449:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de toepassing van de Wet OB 1968 onderscheidt het verlenen van krediet zich van het nemen van een deelneming doordat het in beginsel een dienst onder bezwarende titel is, die weliswaar is vrijgesteld (zie par. 4.5.1 en 6.5.3). Het aanmerken van kredietverlening als dienst ligt enerzijds voor de hand vanwege het ruime begrip dienst in artikel 4, lid 1, Wet OB 1968 (artikel 24, lid 1, Btw-richtlijn) en de context van de vrijstelling voor verlening van krediet in artikel 11, lid 1, onderdeel j, ten eerste, Wet OB 1968 (artikel 135, lid 1, onderdeel b, Btw-richtlijn). Bij verlening van krediet tegen vergoeding van rente is bovendien duidelijk sprake van een quid pro quo, waardoor een bezwarende titel kan worden aangenomen. Anderzijds staat de conclusie dat kredietverlening een dienst onder bezwarende titel is, op gespannen voet met de doelstelling van het belasten van omzet en verbruik. Kredietverlening leidt als zodanig namelijk niet tot meer omzet of meer verbruik, maar hooguit tot een verschuiving van verbruik tussen personen en in de tijd (zie nader par. 2.4.7.3 en 8.2.2.2).
De gedachte kan opkomen dat het al dan niet aanmerken van kredietverlening als dienst onder bezwarende titel vooral van theoretische betekenis is. Vanwege de vrijstelling in artikel 11, lid 1, onderdeel j, ten eerste, Wet OB 1968 is immers in geen geval belasting verschuldigd over de vergoeding daarvoor. Dit gaat er echter aan voorbij dat de verlener van krediet in beginsel geen recht op aftrek van voorbelasting heeft (zie par. 6.5.4). Door het niet verlenen van aftrek van voorbelasting wordt – als het ware – verbruik aangenomen bij de kredietverschaffer, terwijl dat er niet is als de verlening van krediet een economisch karakter heeft. Het aldus belasten van non-verbruik leidt tot cumulatie van belasting bij kredietverlening aan andere ondernemers. De niet-aftrekbare voorbelasting voor de kredietverschaffer vormt namelijk onderdeel van de prijs van het krediet en, indirect, ook van de prijs van de prestaties van de kredietnemer die in beginsel belast zijn. Deze cumulatie is mijns inziens onwenselijk. Uit artikel 1, lid 2, Btw-richtlijn volgt immers dat de omzetbelasting die drukt op het verbruik van goederen en diensten door eindverbruikers strikt evenredig behoort te zijn aan de door die eindverbruikers betaalde prijs. De cumulatie is het resultaat van, onder meer, de omstandigheid dat in de Btw-richtlijn en de Wet OB 1968 is bepaald dat verlening van krediet een vrijgestelde dienst is.