Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.4.11
2.4.11 Oprichting van een rechtspersoon
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS377955:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt voor de vereniging (art. 2:26 lid 2 BW), de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij (artikel 2:54 BW). Reden voor de eis van een meerzijdige oprichtingshandeling voor een vereniging is dat inherent aan de aard van een vereniging is, dat er meerdere personen bij betrokken zijn (Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:26 BW, aant. 3, C.H.C. Overes; Asser/Rensen 2-III* 2012/12). Hiertegen heb ik een aantal bezwaren. Aangenomen dat de oprichtingshandeling door meerdere personen moet worden verricht, brengt dat mijns inziens niet mee, dat de rechtshandeling dan ook meerzijdig moet zijn. Zoals ik hiervoor bepleit heb, kan een eenzijdige rechtshandeling ook door meerdere personen gezamenlijk verricht worden. Bovendien bestaat er mijns inziens geen principiële belemmering voor de mogelijkheid van een eenmansvereniging. Dat daargelaten betekent het vereiste van meerdere betrokkenen bij een vereniging mijns inziens nog niet dat de oprichtingshandeling ook door meerdere personen verricht moet worden. Denkbaar is dat één persoon de vereniging opricht, waarna anderen lid worden. Overigens is een meerzijdige oprichtingshandeling geen constitutief vereiste voor het bestaan van een vereniging. Een organisatorisch verband dat zich in het maatschappelijk verkeer gedraagt als een vereniging, wordt juridisch ook zo aangemerkt.
Kamerstukken II 1957-1958, 3769, nr. 8, p. 8. Tegenstanders pleitten voor de mogelijkheid van oprichting bij eenzijdige rechtshandeling, nu het zou voorkomen dat oprichters hun toevlucht namen tot constructies, waarbij stromannen hun aandeel direct na de oprichting overdragen aan degene die feitelijk het initiatief neemt tot de oprichting, zie Handelingen II 1957-1958, 25 juni 1958, p. 2502 en p. 2513.
Wet van 16 mei 1986, Stb. 275, tot Wijziging van bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet in verband met de bestrijding van misbruik van rechtspersonen.
Kamerstukken II 1981-1982, 16631, nr. 5, p. 21 e.v.; Kamerstukken II 1980-1981, 16631, nr. 3, p. 7; Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:64 BW, aant. 1.5, J.B. Huizink.
Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 3, p. 8; Asser/Rensen 2-III* 2012/310; L. Hardenberg, ‘Het onderkennen en aanpassen van oude stichtingen’, WPNR 6413 (2000), p. 578.
Handelingen II 1955-1956, 25 oktober 1955, p. 2099.
Zie bijv. Kamerstukken II 1954-1955, 3463, nr. 4, p. 3.
HR 12 april 2013, RvdW 2013/628. Zie ook Groene Serie Zakelijke rechten, art. 5:124 BW, aant. 1, R.F.H. Mertens. Nu de oprichting van een VvE samenvalt met splitsing in appartementsrechten, gelden voor de oprichting van een VvE dezelfde regels als in nr. 60 besproken voor splitsing.
De VvE is een voorbeeld van een vereniging die één lid kan hebben. Als één persoon zijn eigendomsrecht op een gebouw splitst, wordt hij eigenaar van de appartementsrechten. Door het van rechtswege ontstaan van een VvE is hij daarvan het enige lid. Overigens wordt in de literatuur opgemerkt dat de VvE een eigen karakter heeft ten opzichte van de vereniging zoals die geregeld is in titel 2.2 BW (Asser/ Van Velten, Mijnssen & Bartels 5* 2008/346; Groene Serie Zakelijke rechten, art. 5:124 BW, aant. 1, R.F.H. Mertens; A.A. van Velten, ‘Het eigenaardige van het appartementsrecht’, WPNR 6153 (1994), p. 671).
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/43 over de NV en de BV, Asser/Rensen 2-III* 2012/310 over de stichting.
Dit is bepaald in art. 2:64 lid 2 BW voor de NV en in art. 2:175 lid 2 BW voor de BV. De akte moet ondertekend worden door iedere oprichter en ieder die aandelen neemt. De eis van notariële akte is voor de stichting neergelegd in art. 2:286 BW. Een stichting kan worden opgericht in een uiterste wilsbeschikking. Een zogenaamde testamentaire stichting moet worden opgericht bij authentieke notariële akte, Asser/Rensen 2-III* 2012/311.
Resp. art. 2:69 BW, art. 2:180 BW en art. 2:289 BW.
Asser/Rensen 2-III* 2012/312.
Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 55.
Zie ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/49.
Art. 2:132/242 en art. 2:142/252 BW.
Art. 2:94/204 lid 1 sub c BW. Alleen als de rechtshandelingen ex art. 2:94/204 BW in zijn geheel zijn vermeld in de akte ontstaan voor de vennootschap rechten en verplichtingen uit deze rechtshandelingen, zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/59.
De derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kan echter in de weg staan aan aansprakelijkheid: HR 28 januari 2011, NJ 2011/167.
Asser/Rensen 2-III* 2012/314; Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/462. Anders: Cauffman 2005, p.171 die schrijft dat een rechtsverhouding sui generis ontstaat.
Zie voor de stichting: Asser/Rensen 2-III* 2012/310; Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/455. Zie voor de NV en BV Van der Heijden/Dortmond 2013, nr. 152.
Van der Heijden/Dortmond 2013, nr. 152.
Asser/Rensen 2-III* 2012/310; Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/455.
Asser/Rensen 2-III* 2012/332; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/181; Hof Arnhem 16 juni 2010, JOR 2010/150.
Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 306. Zie in gelijke zin Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:14 BW, aant. 8.6, J.B. Huizink.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/181. Vgl. Rb. Alkmaar 27 april 2011, ECLI:RBALK:2011:BQ2876, waarin overwogen wordt dat een zuiver taalkundige uitleg niet volstaat, maar dat ook moet worden gelet op de ratio van de bepaling, de redelijkheid van de uitkomst en de mate waarin de uitleg past in het systeem van de statuten.
Vgl. Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/470. Art. 2:334u BW geeft een limitatieve opsomming van gronden voor vernietiging van een splitsing. Aantasting op grond van de actio pauliana is dus niet mogelijk; HR 20 december 2013, NJ 2014/222, kritisch hierover R. de Graaff, ‘Samenloop van vermogensrecht en rechtspersonenrecht. De actio pauliana als onaanvaardbare doorkruising van art. 2:334u BW’, NTBR 2014/41.
65. Voor bepaalde rechtspersonen is uitdrukkelijk bepaald dat zij worden opgericht bij meerzijdige rechtshandeling.1 Voor andere rechtspersonen volstaat een eenzijdige rechtshandeling.W. Snijders 1999 I, p. 561.
Naamloze of besloten vennootschap
66. Art. 2:64 lid 2 BW bepaalt dat een naamloze vennootschap wordt opgericht door één of meer personen. Ten tijde van de vaststelling van Boek 2 van het BW werd vastgehouden aan het vereiste van een meerzijdige rechtshandeling bij notariële akte. De reden hiervoor was de oorsprong van de rechtsvorm als associatie.2 Ten tijde van de behandeling van de Derde Misbruikwet3 was het tij echter gekeerd en werd de wenselijkheid van oprichting bij eenzijdige rechtshandeling breed erkend.4 Dezelfde regeling wordt gehanteerd in art. 2:175 lid 2 BW voor de BV.
Stichting
67. Een stichting wordt blijkens art. 2:285 BW opgericht door een rechtshandeling. Uit het ontbreken van een bepaling dat die rechtshandeling meerzijdig moet zijn, wordt afgeleid dat een stichting ook met een eenzijdige rechtshandeling kan worden opgericht.5 In de parlementaire geschiedenis was dit een enigszins controversieel punt, omdat het onwenselijk werd geacht dat met een eenzijdige rechtshandeling ongecontroleerde rechtspersonen in het leven konden worden geroepen voor willekeurige doeleinden.6 Later in het wetgevingsproces wordt aan deze kritiek niet meer gerefereerd en wordt er van uit gegaan dat de stichting opgericht wordt door een eenzijdige rechtshandeling.7
VvE
68. Een akte van splitsing in appartementsrechten moet op grond van art. 5:111 BW een reglement bevatten, dat onder meer (art. 5:112 lid 1 sub e BW) de oprichting van een Vereniging van Eigenaars regelt. De VvE ontstaat van rechtswege bij splitsing van een gebouw in appartementsrechten, mits de splitsingsakte mede de akte van oprichting en de statuten van een VvE inhoudt.8 Splitsing in appartementsrechten is een eenzijdige rechtshandeling, zoals besproken in nr. 60. De VvE heeft rechtspersoonlijkheid en heeft ten doel het behartigen van gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars.9
69. In de literatuur wordt gesteld dat de oprichtingshandeling eenzijdig of meerzijdig kan zijn, naar gelang zij door één of meerdere (rechts)personen kan geschieden.10 Ik zou er de voorkeur aan geven de oprichting te beschouwen als een ongerichte eenzijdige rechtshandeling, die ofwel door één persoon, ofwel door meerdere personen gezamenlijk wordt verricht. Het zou mijns inziens onwenselijk zijn dat, als oprichting door meerdere personen wordt gekwalificeerd als een meerzijdige rechtshandeling, andere regels gelden voor de oprichting door één danwel door meerdere personen.
Voor oprichting van een rechtspersoon is een notariële akte vereist.11 De akte moet worden ingeschreven in het handelsregister,12 maar de inschrijving is geen constitutief vereiste. Blijft inschrijving uit, dan zijn de bestuurders naast de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor rechtshandelingen waardoor zij de rechtspersoon verbinden. Nu oprichting van een VvE plaatsvindt bij de splitsing in appartementsrechten, gelden hiervoor de vormvereisten voor splitsing ex art. 5:109 BW, zijnde een notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers.
Volgens Rensen derogeert de wettelijke regeling inzake gebreken in de oprichting van een stichting aan de algemene bepalingen over rechtshandelingen, zoals art. 3:32, 3:34 of 3:40 BW.13 Winter en Wezeman schrijven dat een wilsgebrek of het ontbreken van wil bij een oprichter wel kan leiden tot nietigheid of vernietigbaarheid van zijn rechtshandeling.14 Uiteindelijk wordt de gelijkluidende conclusie bereikt dat de aanwezigheid van zulke gebreken de rechtspersoon niet nietig maakt.15Art. 2:4 BW bepaalt dat een eventuele vernietiging van de oprichtingshandeling het bestaan van de rechtspersoon niet aantast. De rechtspersoon kan wel worden ontbonden door de rechter op grond van art. 2:21 lid 1 sub a BW.
In de oprichting van een NV of BV ligt de toetreding besloten van de eerste aandeelhouders. Van Solinge & Nieuwe Weme wijzen er echter op dat de toetreding een afzonderlijke rechtshandeling is, die beheerst wordt door het algemene vermogensrecht en vernietigbaar kan zijn op grond van een geestelijke stoornis, handelingsonbekwaamheid of een wilsgebrek. Van Solinge & Nieuwe Weme achten de dwalingsregeling van art. 6:228 BW via de schakelbepaling van art. 6:216 BW van toepassing, wat eigenlijk niet nodig is nu zij toetreding zien als overeenkomst.16
Een oprichtingshandeling kan niet worden herroepen. Een eenmaal opgerichte rechtspersoon kan worden ontbonden door een besluit daartoe, of door één van de andere omstandigheden die art. 2:19 en 2:19a BW specificeren.
70. De oprichting heeft tot gevolg dat de rechtspersoon ontstaat. Daarnaast wordt een rechtsverhouding gecreëerd tussen de rechtspersoon en de oprichters.17 Door de oprichting van een NV of BV ontstaan de aandelen in die vennootschap. De personen die aandelen nemen in een opgerichte NV of BV komen in een lidmaatschapsverhouding tot de vennootschap te staan. In de oprichtingsakte worden de eerste bestuurders van de vennootschap benoemd en mogelijk de eerste commissarissen.18 Het ontstaan van aandelen is een goederenrechtelijk rechtsgevolg.
De oprichting van een vennootschap kan verplichtingen in het leven roepen. In de akte van oprichting kunnen de oprichters de vennootschap verbinden door de in art. 2:93/203 lid 4 BW limitatief opgesomde rechtshandelingen, namelijk het uitgeven van aandelen, het aanvaarden van stortingen daarop, het aanstellen van bestuurders en het benoemen van commissarissen. Daarnaast kan de vennootschap worden verbonden tot het verrichten van de rechtshandelingen ex art. 2:94/204 lid 1 BW, zoals een rechtshandeling strekkende tot het verzekeren van een voordeel voor een oprichter of een bij de oprichting betrokken derde.19 Een BV kan worden gebonden tot betaling van de kosten die verband houden met de oprichting. De oprichting schept, zoals hierboven genoemd, voor de bestuurder(s) de verplichting om de oprichting in te schrijven in het handelsregister, ex art. 2:69/180 BW, op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden uit rechtshandelingen aangegaan voordat de inschrijving plaatsvond.20 Dit zijn mijns inziens echter geen verbintenissen, maar rechtsplichten. Er wordt geen rechtsbetrekking gecreëerd tussen oprichters en vennootschap die inhoudt dat de één kan vorderen dat de ander een bepaalde prestatie verricht.
De wetgever overweegt dat oprichting van een stichting niet-obligatoir is.21 De oprichter van een stichting kan bij oprichting verklaren dat hij enig goed toekent aan de stichting. De vermogenstoekenning moet worden onderscheiden van de oprichtingshandeling en wordt gekwalificeerd als een schenkingsovereenkomst.22
De oprichting van een VvE schept bevoegdheden voor de leden, namelijk het recht om vergaderingen bij te wonen en om te stemmen over te nemen besluiten. De oprichting schept geen verbintenissen. Aan de VvE is de bevoegdheid toegekend om het beheer te voeren over de gemeenschap, om toe te zien op de nakoming van verplichtingen voor de appartementseigenaars die voortvloeien uit de wet of het reglement en om regels te stellen over het gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes. De verbintenissen die de appartementseigenaars mogelijk hebben op grond van de wet, het reglement of een besluit van de VVE, vloeien niet voort uit de oprichting.
71. In de literatuur wordt aangenomen dat een rechtspersoon kan worden opgericht onder tijdsbepaling, mits de tijdsbepaling een vaste datum aanwijst.23 Het is vereist voor ordelijk rechtsverkeer dat vaststaat wanneer een rechtspersoon bestaat, maar dat moment hoeft niet samen te vallen met de datum van het verlijden van de oprichtingsakte. De rechtshandeling van oprichting kan niet worden gewijzigd. Op de bepaalde datum wordt de rechtspersoon opgericht. De onzekerheid over het ontstaan van een rechtspersoon is reden voor bedenkingen tegen oprichting onder opschortende voorwaarde. Dortmond acht oprichting van een NV of BV onder ontbindende voorwaarde niet mogelijk, nu de wet een limitatieve opsomming van ontbindingsgronden geeft.24 Oprichting van een stichting onder ontbindende voorwaarde wordt echter mogelijk geacht, als het zo wordt vormgegeven dat de stichting wordt ontbonden als een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt, zoals bedoeld in art. 2:19 lid 1 sub a BW.25 Dit zou mijns inziens ook een denkbare constructie zijn voor vennootschappen.
In de doctrine is niet besproken aan de hand van welke uitlegmaatstaf oprichtingsaktes moeten worden uitgelegd. Evenmin is uitgekristalliseerd of een rol is weggelegd voor de redelijkheid en billijkheid inzake vragen rond de oprichting. Voor de uitleg van statuten wordt in beginsel de CAO-norm gehanteerd, tenzij de omstandigheden nopen tot een subjectievere uitleg.26 Winter & Wezeman schrijven dat men aan de hand van objectieve maatstaven naar een redelijke uitleg moet zoeken, waarbij feitelijke omstandigheden als de aard van het door de vennootschap uitgeoefende bedrijf en de gerechtvaardigde verwachtingen van de bij de vennootschap betrokkenen een rol spelen.27 Kroeze benadrukt dat niet het achterhalen van de gezamenlijke bedoeling van de opstellers vooropstaat. Men moet zich bij uitleg laten leiden door de redelijke zin van een bepaling, gelet op de context en de totale inrichting van de rechtspersoon zoals uit wet en statuten blijkt.28
72. Art. 2:334a BW bevat een regeling voor splitsing van rechtspersonen. De bepaling ziet zowel op zuivere splitsing (lid 2) als op afsplitsing (lid 3). Lid 4 bepaalt dat partij bij de splitsing zijn de splitsende rechtspersoon en elke verkrijgende rechtspersoon, met uitzondering van rechtspersonen die bij de splitsing worden opgericht. Als alle verkrijgende rechtspersonen dus bij de splitsing worden opgericht, is alleen de splitsende rechtspersoon partij. Splitsing is in dat geval een eenzijdige rechtshandeling.29