Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2025/33:33 Stil pand: uitoefening van met de inning verband houdende rechten door de pandgever
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2025/33
33 Stil pand: uitoefening van met de inning verband houdende rechten door de pandgever
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 06-06-2025
- Datum
06-06-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD13977:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan de rechthebbende van een vordering komt, afgezien van zijn recht om daarover te beschikken, een groot aantal met de inning van een vordering verband houdende rechten toe.1 Zo is hij bijvoorbeeld gerechtigd om de debiteur in gebreke te stellen, rechtsmaatregelen jegens de in verzuim verkerende debiteur te nemen en om de verbintenis tot nakoming van de vordering om te zetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Voor de meeste van de met de inning van een vordering verband houdende rechten geeft de wet geen antwoord op de vraag of deze door de pandgever of door de pandhouder kunnen worden uitgeoefend. De wet bepaalt slechts dat de inningsbevoegde pandhouder bevoegd is in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en de vordering op te zeggen indien deze door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt.2
Het ligt voor de hand de uitoefening van de met de inning van een vordering verband houdende rechten aan de pandgever over te laten zolang de pandgever bevoegd is de verpande vordering te innen omdat sprake is van een stil pandrecht. De pandhouder zal er in het algemeen geen behoefte aan hebben om dergelijke rechten geldend te maken zolang hij niet bevoegd is om de vordering te innen. Er lijkt ook geen goede rechtvaardiging te zijn om de pandhouder reeds vóórdat hij inningsbevoegd is de met de inning van de vordering samenhangende rechten te laten uitoefenen. Uitoefening van de met de inning verband houdende rechten door de pandgever zolang geen sprake is van een openbaar pandrecht ligt ten grondslag aan het wettelijk systeem. Voor zover de wet bepaalt dat de pandhouder rechten als hier bedoeld kan uitoefenen, is uitdrukkelijk bepaald dat slechts de inningsbevoegde pandhouder daartoe bevoegd is. De pandhouder is eerst nadat het pandrecht op de vordering aan de debiteur is medegedeeld bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen.3 Ook de bevoegdheid om de vordering door opzegging opeisbaar te maken komt eerst aan de pandhouder toe nadat het pandrecht aan de debiteur van de vordering is medegedeeld.4 Ook uit de parlementaire geschiedenis van art. 3:246 BW blijkt dat de wetgever de uitoefening van tegenover de debiteur geldend te maken rechten aan de pandgever heeft willen overlaten zolang het pandrecht niet aan de debiteur is medegedeeld. Het past bij de aard van het stille pandrecht dat “(...) partijen de feitelijke beschikking over de vordering in verhouding tot de debiteur aan de pandgever [overlaten].”5