Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/6.4.1.3.4
6.4.1.3.4 Beroepsaansprakelijkheidsverzekering als vereiste voor de PartG mbB
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383133:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Entwurf eines Gesetzes zur Einführung einer Partnerschaftsgesellschaft mit beschränkter Berufshaftung und zur Änderung des Berufsrechts der Rechtsanwälte, Patentanwälte, Steuerberater und Wirtschaftsprüfer (Deutscher Bundestag) Drucksache 309/12, p. 14. Vgl. tevens Leitzen 2013, p. 600.
Vgl. Ruppert 2013, p. 1625 en Leitzen 2013, p. 598.
Leitzen 2013, p. 596.
Verordening van 25 maart 2009, inwerkingtreding 1 juli 2009 (besluit AR 6 april 2009), Stcrt. 2009, 118, Adv.bl. 2009, nr. 7, p. 296-303. Laatstelijk gewijzigd bij verordening van 11 september 2013, inwerkingtreding 1 januari 2014 (besluit CvA 11 september 2013), Stcrt. 2013, 32118.
Entwurf eines Gesetzes zur Einführung einer Partnerschaftsgesellschaft mit beschränkter Berufshaftung und zur Änderung des Berufsrechts der Rechtsanwälte, Patentanwälte, Steuerberater und Wirtschaftsprüfer (Deutscher Bundestag) Drucksache 309/12, p. 15-16. Vgl. ook Leuering 2013, p. 1005.
Vgl. Van Huizen, Wezeman & Van Eijk-Graveland 2014, p. 199-200.
Vgl. daarover Stadermann 2010, p. 249 en Vloermans 2014.
Voor beroepsbeoefenaren die als samenwerkingsvorm kiezen voor een PartG mbB geldt dus dat de PartG mbB een voor dit doel door de wet voorgeschreven beroepsaansprakelijkheidsverzekering ‘unterhält’. Deze term impliceert dat de PartG mbB de betreffende verzekering heeft afgesloten en dat op het moment van de schade toebrengende handeling dekking bestaat.1 Het bestaan van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering – waaraan de nodig eisen worden gesteld, onder meer ten aanzien van de omvang van de dekking – is een voorwaarde voor de wettelijke beperking van de aansprakelijkheid. De vraag of de betreffende verzekeraar in het concrete geval op grond van de verzekeringsovereenkomst gehouden is over te gaan tot vergoeding van de schade, speelt hierbij geen rol. Mocht de verzekeraar niet gehouden zijn om over te gaan tot uitkering, dan zijn de vennoten dus niet persoonlijk aansprakelijk; de PartG mbB blijft natuurlijk wel aansprakelijk. Mogelijk kan in dat geval de handelende vennoot rechtstreeks aansprakelijk worden gesteld op grond van onrechtmatige daad. Ook in het geval dat de voorgeschreven verzekerde som in het concrete geval niet toereikend is (dat wil zeggen wanneer de schade hoger is dan het bedrag waarvoor men verzekerd is), blijft gelden dat de individuele vennoten niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de personenvennootschap indien de schade veroorzaakt is door een beroepsfout.2
Bij de introductie van de PartG mbB zijn ook de Duitse verordeningen voor de in de wet genoemde beroepsgroepen gewijzigd. Voor advocaten is dit bijvoorbeeld de zogenoemde Bundesrechtsanwaltsordnung. Het nieuw ingevoegde § 51a BRAO bepaalt voor advocaten dat een beroepsaansprakelijkheidsverzekering van een PartG mbB dekking moet bieden voor ‘die Haftpflichtgefahren für Vermögensschäden (…), die sich aus der Beratung und Vertretung in Rechtsangelegenheiten ergeben’.
Lid 2 van § 51a bepaalt dat de Mindestversicherungssumme, dus het bedrag waarvoor de verzekering ten minste dekking moet bieden, voor de PartG mbB € 2,5 miljoen bedraagt per verzekerd voorval (‘für jeden Versicherungsfall’). Verder is in lid 2 bepaald dat de verplichtingen van de verzekeraar binnen een (verzekerings) jaar beperkt kunnen worden tot deze som, vermenigvuldigd met het aantal vennoten. Hierbij geldt voor de kleinere personenvennootschappen dat de maximale verplichting per jaar ten minste het viervoudige moet zijn van het minimumbedrag, dus ten minste € 10 miljoen moet bedragen. Voor een grote PartG mbB met honderd vennoten betekent dit dat de verzekeraar voor ten minste € 250 miljoen per jaar dekking moet bieden. Voor fiscalisten geldt op grond van hun beroepsregels (§ 67 lid 2 StBerG) een minimale dekking van € 1 miljoen en is de maximale verplichting per jaar daarmee dus € 4 miljoen.3
Deze nieuwe regelingen vormen in de meeste gevallen een aanzienlijke verhoging ten opzichte van de algemene regeling die voor de specifieke beroepsgroepen geldt. § 51 lid 4 BRAO bepaalt bijvoorbeeld dat de som waarvoor een advocaat – in het algemeen – ten minste verzekerd moet zijn in geval van beroepsaansprakelijkheid € 250.000 per verzekerd voorval bedraagt. De verplichtingen van de verzekeraar voor alle binnen een verzekeringsjaar veroorzaakte schade kunnen worden beperkt tot een bedrag van het viervoudige van dit bedrag, dus tot € 1 miljoen. Ten opzichte van de algemene regeling over de beroepsaansprakelijkheidsverzekering kiest de wetgever voor de PartG mbB dus voor een vertienvoudigde som waarvoor men ten minste verzekerd moet zijn. De gedachte van de wetgever is dat dit dient ter bescherming van de schuldeisers en hen compenseert voor het feit dat de vennoten niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor deze schulden.
Het is in dit licht interessant te bezien dat de Nederlandse regeling, zoals besproken in hoofdstuk 3, voor de beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor advocaten – de Verordening op de administratie en de financiële integriteit4 – bepaalt dat het verzekerd bedrag per advocaat of – indien de advocaat deel uitmaakt van een samenwerkingsverband – per samenwerkingsverband in overeenstemming moet zijn met het soort zaken en de belangen die men pleegt te behartigen. Het verzekerd bedrag dient (voor de meeste beroepsgroepen) ten minste € 500.000 te bedragen per aanspraak, tot een totaal van ten minste tweemaal dit bedrag per verzekeringsjaar. Dit bedrag is min of meer in lijn met de gewone regeling voor beroepsaansprakelijkheid voor Duitse advocaten in § 51 BRAO, althans voor zover het gaat over de verzekering van een individuele advocaat. De eisen die worden gesteld aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor de PartG mbB in § 51a BRAO zijn duidelijk aanzienlijk hoger.
Zoals gezegd is het bestaan van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering essentieel voor het bestaan van de PartG mbB. Dit betekent ook andersom dat zodra de PartG mbB niet meer aan dit vereiste voldoet, dus als de beroepsaansprakelijkheidsverzekering ontbreekt of ontoereikend is, de beperking van de aansprakelijkheid tot alleen het vennootschapsvermogen op grond van § 8 lid 4 PartGG direct eindigt. Voor schade als gevolg van beroepsfouten die zijn begaan door een of enkele vennoten geldt dan weer dat de handelende vennoot of vennoten persoonlijk aansprakelijk zijn voor schade op grond van § 8 lid 2 Part GG.5 Kortom, het venijn van deze rechtsvorm zit hem in zijn staart: zodra de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de PartG mbB eindigt, eindigt de PartG mbB. Dat betekent dat de vennootschap weer een PartG wordt waarvoor geldt dat een of enkele van de vennoten persoonlijk aansprakelijk zijn in geval van beroepsfouten. Kortom, in geval van aansprakelijkheid wegens een beroepsfout verkeert een schuldeiser/benadeelde van een PartG mbB in een aanmerkelijk betere positie dan een schuldeiser van een PartG. Eerstgenoemde hoeft immers slechts te bewijzen dat sprake is van een beroepsfout en kan vervolgens de PartG mbB aansprakelijk stellen. De schuldeiser van een PartG daarentegen zal eerst moeten aanwijzen wie kwalificeert als de ‘handelende vennoot’ in de zin van § 8 lid 2 PartGG en kan vervolgens uitsluitend deze vennoot aansprakelijk stellen.
Bijkomend voordeel voor de schuldeiser van de PartG mbB is dat laatstgenoemde de te vergoeden schade veelal zal kunnen verhalen op haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Daarbij is het relevant na te gaan welke schade precies onder de dekking van de verzekering valt. In Nederland wordt in het algemeen dekking geboden op basis van ‘claims made’.6 Dit betekent, kort gezegd, dat de verzekering dekking biedt indien de verzekerde tijdens de looptijd van de verzekering aansprakelijk wordt gesteld. De vraag wanneer de schade is ontstaan, is daarbij niet van belang. Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van dekking als een claim na de looptijd van de verzekering wordt ingesteld, maar de verzekerde al tijdens de looptijd aan de verzekeraar heeft gemeld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan die de verzekerde aanleiding geeft te vrezen dat hij aansprakelijk zal worden gesteld.7