De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/8.4.3:8.4.3 Verbintenisscheppende rechtshandeling?
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/8.4.3
8.4.3 Verbintenisscheppende rechtshandeling?
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375602:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
350. Toestemming schept een verplichting tot dulden. Degene die toestemming verleent, doet afstand van de mogelijkheid zich te verzetten tegen de te verrichten handeling. Toestemming schept daarentegen mijns inziens zelf geen verbintenissen.
Doordat toestemming wordt verkregen, kan een andere rechtshandeling geldig of onaantastbaar worden verricht, waaruit verbintenissen kunnen voortvloeien. De toestemming is dan echter niet de bron van verbintenissen; dat is de toestemmingsbenodigde rechtshandeling zelf. Een illustratief voorbeeld is de erkenning van een kind. Erkenning heeft onder meer als rechtsgevolg dat een onderhoudsverplichting ontstaat. Voor geldige erkenning van een kind dat jonger is dan twaalf, moet de moeder toestemmen in de erkenning. Hoewel de toestemming een noodzakelijke voorwaarde is, vloeit mijns inziens de verplichting tot onderhoud echter voort uit de erkenning en niet uit de toestemming.
351. De verplichting tot dulden kan inhouden dat een schuldeiser die toestemming verleent een prestatie moet accepteren die afwijkt van wat eerder is bedongen, bijvoorbeeld als hij erin toestemt dat de schuldenaar uit alternatieve verbintenissen een onmogelijk geworden prestatie kiest (ex art. 6:20 BW), dat de schuldenaar het verschuldigde in gedeelten voldoet (ex art. 6:29 BW), of dat de schuldenaar een andere prestatie verricht dan oorspronkelijk bedongen (ex art. 6:45 BW).
In een aantal gevallen verplicht het hebben verleend van toestemming wel tot méér dan een enkel dulden. Art. 3:243 lid 2 BW bepaalt dat een pandhouder die kosten maakt ten behoeve van het verpande goed, de kosten die uitstijgen boven het bedrag dat nodig was voor behoud of onderhoud van het goed alleen kan terugvorderen van de pandgever als die toestemming had gegeven om die kosten te maken.