Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6
6
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS995373:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 889. Ook het Franse recht wordt in de parlementaire geschiedenis aangehaald, omdat het Cour de Cassation in zijn arrest Cass. Civ. 22 mei 1962, D. 1965, p. 58 m.nt. Rodière heeft geoordeeld dat het droit de retention ‘opposable a tous’ is. Deze ruime derdenwerking, ook jegens anterieure derden, geldt echter alleen voor de opschorting; het Franse retentierecht geeft de schuldeiser geen voorrang bij verhaal. Omdat in mijn proefschrift echter de verhaalsuitoefening op de teruggehouden zaak centraal staat en voorrang daar een belangrijk onderdeel van is, laat ik het Franse recht buiten beschouwing.
Rechtsvergelijking met figuren die dezelfde functie hebben als het Nederlandse retentierecht heb ik beperkt tot specifieke onderwerpen. Natuurlijk staat het Nederlandse recht niet op zichzelf. Zoals ieder rechtsstelsel, is het een resultaat van menselijke keuzes. De gemaakte keuzes hadden ook anders uit kunnen vallen. Zoals ik hiervoor al schreef, is het retentierecht de wettelijke verankering van een basale menselijke reflex om niet af te geven als de wederpartij niet presteert. Het recht reguleert deze reflex. De niet-afgifte-reflex is niet Nederlands, maar – vermoedelijk – universeel. Wel zijn in andere landen, met een vergelijkbaar rechtssysteem, andere keuzes gemaakt om deze universele reflex en zijn effecten jegens derden te reguleren. Juist de vergelijking met figuren die dezelfde functie hebben, maar een andere regeling, doet de keuzes en de achterliggende redenen in de Nederlandse regeling scherper naar voren komen. Omdat het Nederlandse retentierecht een eigen pad is ingeslagen, komt rechtsvergelijking niet op ieder punt terug. Ik gebruik het buitenlandse recht waar relevant ter inspiratie en om de verschillen aan te geven, niet zozeer de gelijkenissen.
Ik geef daarvan twee voorbeelden. Ten eerste: de Nederlandse wetgever heeft zich voor het verhaalsrecht van het retentierecht naar eigen zeggen het meest laten inspireren door het Duitse (371 HGB), Zwitserse (898 ZGB) en Italiaanse recht (2756 (3) Cc).1 In sommige opzichten is het Nederlandse recht daarentegen ‘verder’ dan deze regelingen gegaan en in andere opzichten juist minder ver. De keuzes die in Duitsland, Zwitserland en Italië zijn gemaakt, hadden op dezelfde manier in Nederland gemaakt kunnen worden. Van deze drie rechtsstelsels ligt de focus op het Duitse recht. In het Duitse recht zijn een aantal figuren die lijken op het Nederlandse retentierecht. Juist deze onderscheidenlijke figuren laten mooi zien het Nederlandse retentierecht een middenweg bewandelt tussen een verbintenisrechtelijk opschortingsrecht en een goederenrechtelijk (pand)recht. Ten tweede: in België speelt een grootscheepse herziening van het zekerhedenrecht. Op 1 januari 2018 is de nieuwe Belgische Pandwet in werking getreden. De Pandwet introduceert een nieuw regime voor goederenrechtelijke zekerheidsrechten, waaronder de introductie van een openbaar register voor pandrechten op roerende zaken en vorderingen. Ook voor het retentierecht is in de Pandwet een nieuwe regeling voorzien. Het is interessant om te bezien welke keuzes een wetgever nu maakt voor dezelfde figuur. Het zal blijken dat de Nederlandse regeling een inspiratie is geweest voor de nieuwe Belgische, maar dat toch op een aantal punten andere afwegingen zijn gemaakt.