Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/6.4.1.2.3
6.4.1.2.3 (Beperking van) aansprakelijkheid bij de PartG
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390356:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hellwig 2011, p. 1557.
Deze uitzonderingsregel lijkt sterk op de bepaling die was opgenomen in art. 7:813 van het inmiddels ingetrokken Wetsvoorstel titel 7.13 BW (zie Kamerstukken II 2002/03, 28746, nr. 3).
Frangenberg 1996, p. 135-136.
Entwurf eines Gesetzes zur Einführung einer Partnerschaftsgesellschaft mit beschränkter Berufshaftung und zur Änderung des Berufsrechts der Rechtsanwälte, Patentanwälte, Steuerberater und Wirtschaftsprüfer (Deutscher Bundestag) Drucksache 309/12, p. 8.
Entwurf eines Gesetzes zur Einführung einer Partnerschaftsgesellschaft mit beschränkter Berufshaftung und zur Änderung des Berufsrechts der Rechtsanwälte, Patentanwälte, Steuerberater und Wirtschaftsprüfer (Deutscher Bundestag) Drucksache 309/12, p. 12.
Vgl. daarover Ruppert 2013, p. 1623.
Römermann & Dibbelt 2013, p. 39.
Op grond van § 8 lid 1 PartGG zijn – in beginsel – voor verbintenissen van de PartG naast de vennootschap ook de vennoten privé hoofdelijk aansprakelijk. Schuldeisers van de vennootschap kunnen zich dus – voor het gehele bedrag – verhalen op zowel het vermogen van de PartG als op de privévermogens van alle vennoten afzonderlijk. Zoals gezegd, geldt dit aansprakelijkheidsregime ook bij de GbR en was dit de belangrijkste reden voor onvrede over deze rechtsvorm onder beroepsbeoefenaren. De Duitse wetgever heeft daarom bij de PartG een uitzondering op deze hoofdelijke aansprakelijkheid geïntroduceerd.1 Voor beroepsfouten zijn, naast de vennootschap, alleen die vennoten aansprakelijk die belast zijn met de uitvoering van de betreffende opdracht. § 8 lid 2 PartGG bepaalt dat wanneer slechts één of een aantal vennoten betrokken is bij de uitvoering van een overeenkomst van opdracht in beginsel alleen deze venno(o)t(en) persoonlijk aansprakelijk is/zijn voor bij de uitvoering van deze opdracht gemaakte beroepsfouten. Daarnaast blijft uiteraard ook de personenvennootschap zelf aansprakelijk.2 Uitgezonderd worden bijdragen aan opdrachten van ondergeschikte betekenis. De aansprakelijkheidsbeperking geldt dus alleen in het geval van beroepsfouten bij een overeenkomst van opdracht; voor alle overige verbintenissen van de vennootschap zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk.3
Aan deze uitzonderingsregeling in § 8 lid 2 PartGG kleeft een aantal haken en ogen. De regeling lijkt goed te functioneren bij kleinere of middelgrote personenvennootschappen, waar een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt tussen de werkzaamheden van de ene en de andere vennoot. De Duitse wetgever4 erkent echter dat de beperking van de aansprakelijkheid tot de ‘handelende vennoot’ in de praktijk op moeilijkheden stuit bij de grotere personenvennootschappen, waarbij veel in teams wordt samengewerkt. Als wordt samengewerkt door vennoten met verschillende specialisaties is immers niet altijd duidelijk wie de ‘handelende vennoot’ is. Dit geldt te meer als door verschillende beroepsbeoefenaren wordt samengewerkt. Deze vennoten kunnen veelal immers de inhoudelijke bijdrage van de andere vennoot niet – volledig – beoordelen en kunnen hiervoor dus geen verantwoording nemen. De aanwijzing van een ‘handelende vennoot’ in de zin van § 8 lid 2 PartGG wordt in dat geval kunstmatig.5
Bovendien is het de vraag in hoeverre deze regeling er daadwerkelijk voor zorgt dat alleen de betrokken vennoot aansprakelijk is in geval van een beroepsfout. Uit rechtspraak van het Bundesgerichtshof blijkt bijvoorbeeld dat een vennoot die met de uitvoering van een opdracht belast is, onder omstandigheden ook aansprakelijk kan zijn voor de vóór zijn toetreding tot de PartG door een andere vennoot begane beroepsfouten, zelfs als hij deze fout niet meer kan corrigeren.6 Bovendien kunnen de niet-verantwoordelijke vennoten ook indirect de dupe worden van de beroepsfout van hun medevennoot, bijvoorbeeld als de aansprakelijkheid van de verantwoordelijke vennoot leidt tot zijn faillissement of – wanneer er verhaald wordt op het vennootschapsvermogen (dat immers wel gewoon aansprakelijk blijft) – tot het faillissement van de vennootschap, in welk geval de vennootschap eindigt en alle vennoten dienen bij te dragen in het tekort van de boedel. De aansprakelijkheidsbeperking van de PartG wordt door critici daarom ook wel een ‘placebo-beperking’ genoemd.7