Artikel 3.4a bepaalt wat dient te worden verstaan onder voordelen in de vorm van dividenden. De bepalingen inzake de heffingsgrondslag zijn grotendeels overgenomen uit de dividendbelasting. Hierdoor wordt bereikt dat de bronbelasting op dividenden zal worden geheven over dezelfde grondslag als de dividendbelasting.
Belangrijk verschil met de dividendbelasting is dat alleen bronbelasting wordt geheven in gelieerde verhoudingen. Dit wordt geregeld in artikel 3.4a, lid 1.
In artikel 3.4a, lid 2 wordt geregeld wat in ieder geval moet worden verstaan onder de voordelen waarnaar de bronbelasting op dividenden wordt geheven. De bepaling is ontleend aan de tekst van artikel 3, lid 1 Wet op de dividendbelasting 1965.
Parlementaire behandeling
Parlementaire behandeling. Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden
'De bronbelasting wordt op grond van het in dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 3.1, onderdeel c, van de Wet bronbelasting 2021 geheven over de voordelen in de vorm van dividenden. Ingevolge het voorgestelde artikel 3.4a, eerste lid, van de Wet bronbelasting 2021 behoren tot die voordelen de vergoedingen uit hoofde van de gerechtigdheid – rechtstreeks of door middel van certificaten – tot de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, Wet Vpb 1969 aan een in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, 3°, 4° of 6°.
Voor de grondslag voor de bronbelasting op dividenden wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bepalingen hieromtrent in de Wet DB 1965.
Het tweede lid van het voorgestelde artikel 3.4a van de Wet bronbelasting 2021 regelt wat in ieder geval moet worden verstaan onder de voordelen waarnaar de bronbelasting op dividenden wordt geheven. Deze bepaling is ontleend aan de tekst van artikel 3, eerste lid, Wet DB 1965, met dien verstande dat ten opzichte van die tekst enkele aanpassingen worden voorgesteld. Deze aanpassingen vinden, behalve enkele technische aanpassingen, hun oorsprong in enerzijds de ruimere reikwijdte van de bronbelasting omdat coöperaties in alle gevallen als inhoudingsplichtige kunnen worden aangemerkt (en niet enkel houdstercoöperaties) en anderzijds de beperktere werking omdat de bronbelasting alleen toepassing vindt in gelieerde verhoudingen.'
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 3.4a Wet BB 2021, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 15-10-2024
15-10-2024, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2024/104 en V-N 2024/41.21
01-01-2024 tot: -
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 3.4a Wet BB 2021, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Wet bronbelasting 2021 artikel 3.4a
Beschouwing
Artikel 3.4a bepaalt wat dient te worden verstaan onder voordelen in de vorm van dividenden. De bepalingen inzake de heffingsgrondslag zijn grotendeels overgenomen uit de dividendbelasting. Hierdoor wordt bereikt dat de bronbelasting op dividenden zal worden geheven over dezelfde grondslag als de dividendbelasting.
Belangrijk verschil met de dividendbelasting is dat alleen bronbelasting wordt geheven in gelieerde verhoudingen. Dit wordt geregeld in artikel 3.4a, lid 1.
In artikel 3.4a, lid 2 wordt geregeld wat in ieder geval moet worden verstaan onder de voordelen waarnaar de bronbelasting op dividenden wordt geheven. De bepaling is ontleend aan de tekst van artikel 3, lid 1 Wet op de dividendbelasting 1965.
Parlementaire behandeling. Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden
'De bronbelasting wordt op grond van het in dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 3.1, onderdeel c, van de Wet bronbelasting 2021 geheven over de voordelen in de vorm van dividenden. Ingevolge het voorgestelde artikel 3.4a, eerste lid, van de Wet bronbelasting 2021 behoren tot die voordelen de vergoedingen uit hoofde van de gerechtigdheid – rechtstreeks of door middel van certificaten – tot de opbrengst van aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, Wet Vpb 1969 aan een in Nederland gevestigde aan de voordeelgerechtigde gelieerde inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, 3°, 4° of 6°.
Voor de grondslag voor de bronbelasting op dividenden wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bepalingen hieromtrent in de Wet DB 1965.
Het tweede lid van het voorgestelde artikel 3.4a van de Wet bronbelasting 2021 regelt wat in ieder geval moet worden verstaan onder de voordelen waarnaar de bronbelasting op dividenden wordt geheven. Deze bepaling is ontleend aan de tekst van artikel 3, eerste lid, Wet DB 1965, met dien verstande dat ten opzichte van die tekst enkele aanpassingen worden voorgesteld. Deze aanpassingen vinden, behalve enkele technische aanpassingen, hun oorsprong in enerzijds de ruimere reikwijdte van de bronbelasting omdat coöperaties in alle gevallen als inhoudingsplichtige kunnen worden aangemerkt (en niet enkel houdstercoöperaties) en anderzijds de beperktere werking omdat de bronbelasting alleen toepassing vindt in gelieerde verhoudingen.'
MvT, Kamerstukken II 2020/21, 35779, nr. 3, p. 13.