Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/1.3
1.3 Probleemstelling
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS420607:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ik wijs op de problematiek rond het houden en verkopen van deelnemingen in de btw, vraagstukken rond aftrek van voorbelasting, vragen rondom de btw-gevolgen van juridische fusie en splitsing e.d.
In de Wet OB 1954, die de huidige Wet OB 1968 presideerde, was in artikel 30 opgenomen dat van omzetbelasting is vrijgesteld: “het overdragen van een bedrijf aan degene die dat bedrijf voortzet”. In de memorie van toelichting bij het artikel is slechts opgenomen dat het artikel ten aanzien van de overdracht van een onderneming of een deel daarvan eenzelfde regeling geeft als reeds van toepassing is op basis van paragraaf 3 lid 1 Uitvoeringsresolutie OB 1947 (Kamerstukken II 1951/52, 2602, 3, blz. 28). Ik wijs erop dat de heffing van omzetbelasting op basis van de Wet OB 1954 uitging van het cumulatief cascadestelsel, dat als belangrijkste kenmerk ten opzichte van ons huidige stelsel had dat er in beginsel in iedere schakel van het productie- en distributieproces belasting werd geheven over de bruto omzet zonder dat een recht op aftrek van voorbelasting bestond.
HvJ EG 27 november 2003, nr. C-497/01, V-N 2003/61.18 (Zita Modes).
HvJ EU 10 november 2011, nr. C-444/10, V-N 2011/63.16 (Christel Schriever).
HvJ EG 29 oktober 2009, nr. C-29/08, BNB 2010/251 (AB SKF).
HvJ EU 30 mei 2013, nr. C-651/11, BNB 2014/113, r.o 28 (X bv).
Zie onder meer HR 11 april 2014, nr. 12/01836, BNB 2014/120 en HR 13 maart 2015, nr. 14/02600, BNB 2015/94 waaruit is op te maken dat de Hoge Raad andere maatstaven lijkt te hanteren dan een aantal Gerechtshoven bij het toepassen van artikel 37d Wet OB 1968.
In algemene zin zijn de btw-gevolgen van fusies en overnames niet uitgekristalliseerd.1 Dit geldt mede voor de reikwijdte van de regeling voor de geruisloze overgang, ondanks dat deze regeling reeds ruim 40 jaar zijn plek heeft in de Unierechtelijke btw en in Nederland al daarvoor een nationaalrechtelijke evenknie had.2 Het sleutelarrest van het Hof van Justitie in Zita Modes3 geeft op zichzelf een hanteerbare Unierechtelijke uitleg van de regeling, maar arresten als Christel Schriever,4 AB SKF5 en X bv6 leggen bloot dat het toepassingsbereik van de regeling niet vastomlijnd is. Ook op nationaal niveau bestaan verschillen in opvatting over de reikwijdte van de regeling.7
Dit roept de vraag op wat de btw-gevolgen zijn, en zouden behoren te zijn, van de overgang van de onderneming en wat in dit verband de reikwijdte van de regeling voor de geruisloze overgang is. Daarbij is de vraag op welke wijze deze btw-gevolgen zich verhouden tot de doelstellingen van de regeling voor de geruisloze overgang, en het btw-systeem als geheel. Ik onderzoek in dit licht de btw-gevolgen van de overgang van de onderneming door activa-passivatransacties, aandelentransacties en de juridische fusie en splitsing.
De centrale vraag van mijn onderzoek is: Wat zijn naar positief en wenselijk recht de Unierechtelijke btw-gevolgen van fusies en overnames door activapassiva- transacties, aandelentransacties en de juridische fusie en splitsing, in het licht van de geruisloze overgang van artikel 19 Btw-richtlijn?
Dit onderzoek brengt mij langs een palet aan aanpalende onderwerpen, zoals de grenzen van belastingplicht in de btw, de relatie tussen aandelen en btw en (het bepalen van) het recht op aftrek van voorbelasting. Wat deze onderwerpen bindt, is dat zij antwoorden geven op vragen met betrekking tot de btw-aspecten van fusies en overnames en in meer algemene zin een beeld geven van het bereik van de btw.