Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2025/42
42 Inpassing als opdracht
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 06-06-2025
- Datum
06-06-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD13976:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Lioni 1885, p. 5.
Zie Snijders 2002, Snijders 2005 en Snijders 2007.
Snijders 2002 en Snijders 2005. Kritisch hierover Struycken 2007, p. 109-115. Zie ook De Jong 2006, p. 169-178, die er kort gezegd voor pleit om het gesloten systeem te handhaven, maar onder voorwaarden nieuwe voorwerpen als objecten van bestaande goederenrechtelijke rechten te erkennen. Kritiek hierop is geleverd door Struycken 2007, p. 115-118, die betwijfelt of een goederenrechtelijk recht en het voorwerp daarvan zo scherp mogen worden onderscheiden als De Jong bepleit.
Zo ook Uniken Venema/Zwalve 2000, p. 152. Vgl. ook Van Dijck en Van den Heuvel 2004.
Zie specifiek over de receptie in het recht van de door de praktijk gewenste overdracht van schuldvorderingen op naam Wiarda 1937, p. 77 e.v.
Meijers 1954, p. 150.
Tot besluit van deze paragraaf zij nog opgemerkt dat men niet te lichtvaardig mag argumenteren dat een in de praktijk levende behoefte niet kan of niet moet worden gehonoreerd omdat inpassing in het systeem van ons (goederen)recht niet mogelijk zou zijn. Men dient eerst serieuze pogingen tot die inpassing te doen alvorens die conclusie te trekken. Ik onderschrijf graag de volgende woorden van Lioni:
“Daarin bestaat toch juist de taak van den rechtsdogmaticus, dat hij zijne indeeling schikt naar de stof, die hij heeft en niet andersom de stof, die het verkeer hem oplevert, naar de regelmatige verdeeling van een vooropgesteld systeem.”1
Illustratief zijn ook de fraaie betogen van W. Snijders om (te) kort samengevat nieuwe ontwikkelingen in het systeem van het vermogensrecht een plaats te bieden door een redelijke uitleg van (het stelsel van) de wet in plaats van deze bij gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling af te wijzen.2 Een voorbeeld is zijn suggestie om de overdracht van domeinnamen in het vermogensrecht in te passen met behulp van de figuur van de contractsoverneming.3
Het recht dient zoveel mogelijk de behoeftes van de praktijk te volgen.4,5 Met E.M. Meijers denk ik dat ons vermogensrecht dat ook kan:
“Het remmende element voor een goede rechtsontwikkeling zit (…) maar voor een deel in de wet; het zit voor een even groot deel in ons zelf.”6