Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.3.2.3
I.3.2.3 Afbakening van het begrip
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS496503:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
T. Koopmans, G.J. Wiarda. 3 typen van rechtsvinding, Deventer: Kluwer 1999, p. 148 e.v. Zie ook Options for a definitive VAT-system (Working Paper E-5 van het European Parliament Directorate General for Research van September 1995), p. 99: ‘The amount of litigation concerning the meaning of 'economic activity', however, is evidence of the need for more precise definitions. Yet these may prove extremely difficult to arrive at. A private individual selling a single item of second-hand furniture to a friend is not engaging in an activity which is in this sense 'economic'. What if several items are sold to several friends?’
Zie bv. HvJ 26 maart 1987, zaak 235/85, FED 1987/341, r.o. 8 (Commissie/Nederland; m.nt. D.B. Bijl); HvJ 26 juni 2003, zaak C-305/01, FED 2003/513 (MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring; m.aant. J.J.P. Swinkels). Een ruime uitleg van het begrip economische activiteit lijkt overigens misschien vanzelfsprekend binnen een belasting die een algemene verbruiksbelasting moet zijn. Dat is het niet zonder meer, zoals hiervoor uiteengezet bij de bespreking van de strekking van de omzetbelasting. Zie daarover nader, in het bijzonder, par. 2.4.7.2.
HvJ 13 september 2007, zaak C-408/06, V-N 2008/3.21, r.o. 18 (Frank Götz).
HvJ 1 april 1982, zaak 89/81, BNB 1982/311 (Hong Kong Trade Development Council; m.nt. C.P. Tuk).
HvJ 14 februari 1985, zaak 268/83, BNB 1985/315 (Rompelman; m.nt. A.L.C. Simons); HvJ 29 februari 1996, zaak C-101/94, V-N 1996, p. 1396 (INZO); HvJ 21 maart 2000, zaak C-147/98, V-N 2000/22.12 (Gabalfrisa); HvJ 8 juni 2000, zaak C-400/98,V-N 2000/43.17 (Breitsohl).
HvJ 26 september 1996, zaak C-230/94, V-N 1996, p. 653, r.o. 20 (Enkler); HvJ 13 december 2007, zaak C-408/06, V-N 2008/3.21, r.o. 18 (Götz); HvJ 29 oktober 2009, zaak C-246/08, BNB 2010/94, r.o. 37 (concl. A-G Ruiz-Jarabo Colomer; Commissie/Finland; m.nt. J.J.P. Swinkels).
HvJ 13 juni 2013, zaak C-62/12, FED 2014/4 (Kostov; m.aant. W.J. Blokland).
HR 5 februari 1992, BNB 1992/123.
Genoemd zou nog kunnen worden HR 14 mei 2004, BNB 2004/287 (m.nt. Bijl), over het organiseren van een incidentele publieksavond waaraan een langere periode van voorbereiding voorafging en toch onvoldoende duurzaamheid c.q. regelmaat voor het aannemen van ondernemerschap aanwezig was. Wat betreft het Hof van Justitie kunnen worden genoemd HvJ 20 juni 2013, zaak C-219/15, BNB 2013/245 (concl. A-G Sharpston; Fuchs; m.nt. J.J.P. Swinkels) en HvJ 2 juni 2016, zaak C-263/15, V-N 2016/31.18 (Lajvér). De eerste zaak handelt over het voor onbepaalde tijd exploiteren van zonnepanelen en de tweede zaak over het gedurende acht jaar exploiteren van cultuurtechnische bouwwerken. In beide gevallen is voldoende duurzaamheid aanwezig geacht. Zie nader par. 3.2.4.
HvJ 20 juni 1996, zaak C-155/94, FED 1996/577, r.o. 36 (Wellcome Trust; m.aant. W.A.P. Nieuwenhuizen); A-G Fennelly, conclusie bij: HvJ 6 februari 1997, zaak C-80/95, BNB 1997/386 (concl. A-G Fennelly; Harnas & Helm; m.nt. M.E. van Hilten), punt 27. Zie ook Hof Amsterdam 24 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4010. Zie verder Van Zadelhoff 2016, p. 9-10.
HvJ 20 juni 2013, zaak C-219/12, BNB 2013/245 (concl. A-G Sharpston; Fuchs; m.nt. J.J.P. Swinkels). Naar mijn mening is overigens opmerkelijk dat het Hof van Justitie het leveren van zelf opgewekte zonne-energie zonder meer als exploitatie van een vermogensbestanddeel aanmerkt en daarmee de leverancier als exploitant. Is de leverancier van zonne-energie niet veeleer een producent, zoals de Hoge Raad voor de inkomstenbelasting heeft geoordeeld betreffende iemand die met eigen windturbines opgewekte elektriciteit levert? Zie: HR 23 april 2010, BNB 2010/244 (concl. A-G Niessen; m.nt. R.P.C. Cornelisse).
Dezelfde conclusie dringt zich op bij lezing van het arrest van de Hoge Raad in BNB 2014/208, dat het verhuren van een werkkamer in een woning aan de eigen vennootschap een economische activiteit vormt: HR 6 juni 2014, BNB 2014/208 (m.nt. C.J. Hummel).
HvJ 13 juni 2013, zaak C-62/12, FED 2014/4, r.o. 30-31 (Kostov; m.aant. W.J. Blokland).
HvJ 5 juli 1988, zaak 269/86, BNB 1988/303 (Mol; m.nt. L.F. Ploeger); HvJ 5 juli 1988, zaak 289/86, FED 1988/496 (Happy Family; m.aant. D.B. Bijl).
HvJ 26 juni 2007, zaak C- 284/04, V-N 2007/32.21 (T-Mobile Austria); HvJ 6 oktober 2009, zaak C-267/08, V-N 2009/52.24 (SPÖ Landesorganisation Kärnten); HR 6 juni 2014, BNB 2014/208 (m.nt. C.J. Hummel); HvJ 12 mei 2016, zaak C-520/14,V-N 2016/27.20 (Gemeente Borsele).
Zie behalve de hiervoor in noot 23 genoemde arresten: HvJ 13 september 2007, zaak C-408/06, V-N 2008/3.21 (Götz). Zie ook C.P. Tuk, Wet op de omzetbelasting1968, Deventer: Kluwer 1979, p. 90-97 (met verwijzingen naar wat oudere nationale jurisprudentie op dit vlak); P. Farmer & R. Lyal, EC Tax Law, Oxford (GB): Clarendon Press 1994, p. 109; Van Doesum 2009, p. 168-181.
Zelfs met de vaststelling dat ‘economische activiteit’ verwijst naar een geheel van werkzaamheden, blijft het een vaag begrip met ruime mogelijkheden voor interpretatie. De globale betekenis valt wel aan te geven, maar een scherpe afbakening is lastig. Daarbij mag worden verwacht dat ook maatschappelijke opvattingen een rol spelen bij de afbakening van het begrip. Wat wordt in de maatschappij nog net een hobby bevonden en waar starten de werkzaamheden van een dienstverrichter? En wanneer gaat het helpen van een familielid over in economisch bezig zijn? Voor een deel valt dit redelijk objectief vast te stellen, maar in echte grensgevallen kan – in de woorden van Wiarda – de ‘eigen zedelijke overtuiging’ van de rechter vereist zijn voor het laatste stapje naar het uiteindelijke oordeel.1
De jurisprudentie van het Hof van Justitie leert dat een ruime uitleg van het begrip ‘economische activiteit’ geboden is.2 Binnen die ruime uitleg zijn diverse criteria van belang bij de beoordeling of een activiteit economisch is. Zo moet worden voldaan aan wat het opbrengstcriterium kan worden genoemd: een economische activiteit is gericht op het verkrijgen van tegenwaarde oftewel opbrengst. Dit geldt niet alleen voor de hierna nader te bespreken exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, maar voor alle economische activiteiten.3 Er dient meer bepaald een streven naar opbrengst uit belastbare handelingen aanwezig te zijn.4 Een dergelijk streven moet uit objectieve factoren blijken. Omdat een streven voldoende is, kan een economische activiteit uit louter voorbereidende werkzaamheden bestaan die niet daadwerkelijk in prestaties onder bezwarende titel eindigen.5 Een economische activiteit heeft volgens het Hof van Justitie in beginsel ook een meer dan incidenteel dan wel duurzaam of regelmatig karakter (regelmaatcriterium).6 Dat neemt niet weg dat soms een incidenteel verrichte handeling kan volstaan voor een economische activiteit, zelfs als meer dan incidenteel presteren niet is beoogd. Dit heeft het Hof van Justitie beslist in zijn arrest in de zaak Kostov.7 Desondanks blijft het duurzaam verrichten van een economische activiteit vereist om belastingplichtige te worden. Dat blijkt niet zozeer uit de tekst van artikel 9 Btw-richtlijn, die alleen het zelfstandig verrichten van een economische activiteit vereist, maar uit de context van die bepaling. Artikel 12 Btw-richtlijn geeft lidstaten namelijk de mogelijkheid ook degenen die incidenteel bepaalde handelingen van fabrikanten, handelaren, dienstverrichters, etc. verrichten als belastingplichtige aan te merken. A contrario volgt hieruit dat incidenteel een economische activiteit verrichten nog niet tot belastingplicht leidt, aldus het Hof van Justitie in het arrest in de zaak Kostov. Uit de jurisprudentie wordt niet duidelijk welke (sub)criteria gelden voor de beoordeling of sprake is van ‘meer dan incidenteel’. Over het regelmaatcriterium bestaat behalve het arrest van de Hoge Raad in BNB 1992/123 weinig jurisprudentie.8 In genoemde zaak heeft de Hoge Raad ondernemerschap aanwezig geacht bij een vennootschap die een rentedragende lening verstrekte met een looptijd van vijf jaren.9
Het begrip ‘economische activiteit’ is in beginsel niet zo ruim, dat het ook betrekking heeft op de activiteiten van een particuliere belegger. Dit volgt vooral uit jurisprudentie betreffende de exploitatie van vermogensbestanddelen om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (zie nader par. 3.2.4 en 3.2.5).10 In algemenere zin lijkt voor de hand te liggen dat activiteiten in – wat globaal aangeduid kan worden als – de privébeleggingssfeer, de hobbysfeer en besloten kringen, zoals gezinshuishoudingen, niet economisch zijn. Een zekere professionaliteit in handelen is vereist (professionaliteitcriterium). Nochtans is een particulier naar het oordeel van het Hof van Justitie al ondernemer als hij zonnepanelen op zijn eigen huis exploiteert door voor onbepaalde tijd energie aan het net te leveren.11 Dit duidt erop dat de drempel voor het ondernemerschap in voorkomende gevallen toch buitengewoon laag kan liggen.12
Ten slotte mag aangenomen worden dat een belastingplichtige, casu quo ondernemer, meer dan één economische activiteit kan ontplooien. De jurisprudentie lijkt dit te bevestigen (zie ook par. 3.5.3).13 Absoluut verboden activiteiten, zoals de handel in drugs, zijn daarentegen niet economisch.14 Evenmin economisch zijn activiteiten die niet worden verricht op een markt (marktcriterium).15 Vooral activiteiten die tot het overheidsdomein behoren, blijven door het marktcriterium buiten het toepassingsbereik van het btw-stelsel.16