Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/295:295 Inleidende opmerkingen
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/295
295 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD13555:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook hierna par. 11.2 en 11.3.
Vgl. HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 m.nt. WMK (Mulder q.q./CLBN) en Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, nr. 756.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht dat een pandhouder op de aan hem verpande vordering kan laten gelden volgt in juridische en in feitelijke zin het lot van die vordering. Gaat de vordering teniet, bijvoorbeeld doordat de overeenkomst waaruit zij voortkomt wordt ontbonden of doordat de vordering wordt voldaan, dan eindigt tevens het pandrecht op de vordering. Wordt de waarde van de vordering feitelijk nihil door insolventie van de debiteur van de vordering, dan blijft het pandrecht juridisch onaangetast, maar is de waarde ervan nihil.
In bepaalde situaties krijgt de schuldeiser-pandgever die met het tenietgaan of in waarde verminderen van zijn vordering wordt geconfronteerd daar een ander goed, veelal een vordering, soms chartaal geld, voor terug. De schuldeiser die zijn vordering door girale betaling voldaan ziet worden, verkrijgt een vordering op zijn bank. De schuldeiser die zijn vordering waardeloos ziet worden door insolventie van zijn debiteur en zich tegen die waardevermindering verzekerd heeft, verkrijgt een vordering op een verzekeraar.
Is ten behoeve van de pandhouder niet (bij voorbaat) een pandrecht gevestigd op het vervangende goed, dan bestaat de mogelijkheid dat de pandhouder toch, van rechtswege, een pandrecht op het vervangende goed heeft. De wet bepaalt dat een pand- of hypotheekhouder in een aantal gevallen een pandrecht krijgt op het chartale geld dat of de vordering die het goed vervangt waarop het oorspronkelijke pand- of hypotheekrecht rustte. Vanwege ons gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten1 ontstaat een pandrecht op het vervangende goed (een vordering of chartaal geld) uitsluitend (afgezien van de vestiging van een pandrecht op dat goed) indien en doordat de wet (in art. 3:229 en 3:246 lid 5 BW) in zo een vervanging van het pandrecht voorziet en niet doordat zulks is bedongen.2