Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/1.2:1.2 Doel van het onderzoek en presentatie hoofdvraag
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/1.2
1.2 Doel van het onderzoek en presentatie hoofdvraag
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS457988:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J.J. Oerlemans, ‘Hacken als opsporingsbevoegdheid’, DD 2011/62. Anders D.A.G. van Toor, ‘De vergrendelde smartphone als object van strafvorderlijk onderzoek’, Computerrecht 2017, 2.
D.A.G. van Toor, ‘Het decryptiebevel en het nemo-teneturbeginsel’, NJB 2013, 8, p. 477- 479 en D.A.G. van Toor, ‘Over het nemo-teneturbeginsel en het decryptiebevel: is een meewerkverplichting bij het ontsleutelen van bestanden gerechtvaardigd?’, Strafblad 2013, 4, p. 317-323.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in de inleiding hierboven al enkele malen is aangestipt, gaat de ontwikkeling van neuropsychologische methoden razendsnel en hebben deze de afgelopen jaren hun intrede in het Nederlandse strafrechtspraktijk gedaan. Dit is echter voornamelijk op het gebied van het materiële strafrecht gebeurd bij de invulling van subjectieve bestanddelen. Onder andere in India werd en in Japan wordt geheugendetectie als strafprocesrechtelijk middel gebruikt om, via het geheugen van de verdachte, de waarheid te vinden. De methode zal op enig moment de oversteek naar (continentaal) Europa maken. Vanaf dat moment wordt het brein, het geheugen van de verdachte direct onderzocht en daarmee dus object van onderzoek. Ik neem als een gegeven dat dit in de komende jaren zal gebeuren. Andere landen gebruiken de test al en de test is nog steeds volop in ontwikkeling (en onder andere de betrouwbaarheid en efficiency zullen waarschijnlijk worden verbeterd). In dit boek staat deze nieuwe, futuristische onderzoeksmethode – die ik aanhaal als GKT of (neuro)geheugendetectie(methode) – centraal.
Voordat een nieuwe opsporingsmethode overtuigend in de strafvordering kan worden geïntroduceerd, moet ten eerste worden beoordeeld of de methode bijdraagt aan de waarheidsvinding en ten tweede of geen ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op één of meerdere grondrechten. Deze exercitie zou eenvoudig zijn als bijvoorbeeld een checklist of overzicht bestaat aan welke factoren een nieuwe methode dient te worden beoordeeld voor zijn bijdrage aan de waarheidsvinding, óf wat begrippen zoals ‘de menselijke waardigheid’, ‘privacy’ of ‘het nemo-teneturbeginsel’ precies betekenen, zodat de nieuwe methode daaraan kan worden getoetst. Voor beide onderwerpen – zowel de analyse van een methode voor de bijdrage aan de waarheidsvinding als de analyse van een methode in het licht van grondrechten – geldt dat veel onduidelijkheid bestaat over de betekenis van de begrippen waaraan een opsporingsmethode wordt getoetst (of zou moeten worden getoetst). Zowel in parlementaire stukken als de rechtspraak worden (nieuwe) opsporingsmethoden, op grond van de omstandigheden van het geval, aan één of meerdere maatstaven getoetst, maar een overzicht van instrumentele en rechtbeschermende maatstaven ontbreekt. Ook in de literatuur wordt voornamelijk en begrijpelijkerwijs (zeer) selectief getoetst, bijvoorbeeld door het hacken van de verdachte in het licht van het recht op respect voor privacy te beoordelen1 of het decryptiebevel in het licht van het nemo-teneturbeginsel en het zwijgrecht.2
Dit maakt het noodzakelijk om een overzicht op te stellen van instrumentele en rechtsbeschermende maatstaven waaraan (nieuwe) opsporingsmethoden dienen te worden getoetst. Ten eerste worden in dit onderzoek dan ook duidelijke maatstaven en ijkpunten geconstrueerd vanuit zowel het belang voor de waarheidsvinding als grondrechten waaraan de inzet van opsporingsmethoden op hun merites kunnen worden beoordeeld. Daarna worden deze maatstaven en ijkpunten toegepast op de GKT. Ik kies voor de GKT omdat de toepassing van neuropsychologische methoden nog geen gemeengoed in het straf(proces)recht is. Daarnaast is in enkele andere landen al succesvol ervaring opgedaan met deze methode in het strafprocesrecht, waardoor het aannemelijk is dat de GKT in meerdere landen zal worden gebruikt. Als laatste wordt met de GKT een deel van het lichaam object van onderzoek dat met geen enkele andere opsporingsmethode wordt onderzocht. Het is het samenspel tussen het biologische brein en cognitieve processen van herkennenen herinneren die worden onderzocht. Dat maakt deze methode uitermate interessant om te beoordelen in het licht van traditionele grondrechten. Dit brengt mij tot een onderzoek om de GKT te bekijken vanuit zowel een aantal mensenrechten als het belang van de materiële waarheidsvinding. De centrale vraag daarbij is:
‘In welke mate is de afname van (neuro)geheugendetectie bij de verdachte efficiënt en effectief, hoe verhoudt deze methode zich met het recht op respect voor menselijke waardigheid, het recht op respect voor privacy en eerlijk procesrechten, en kunnen in het verlengde daarvan instrumentele en rechtsbeschermende maatstaven worden vastgesteld om nieuwe strafvorderlijke opsporingswetgeving te beoordelen?’
De zojuist voorgestelde hoofdvraag wordt hierna voor het vervolg van het onderzoek opgesplitst in vier onderdelen.