Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/1.1
1.1 Inleiding
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS383115:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I 2010/11, 31065, nr. C. Aldus ook VNO-NCW (zie de brandbrief van VNO-NCW (Kamerstukken II 2008/09, 31065, nr. 14 (Bijlage 2)) en de reacties daarop van Van Olffen, Van Olffen 2009, en Van Mourik, Van Mourik 2009, de reactie van VNO-NCW, Drion & Warmerdam 2009, met een naschrift van Van Olffen, Van Olffen 2009a, en een bijdrage van Slagter, Slagter 2009).
Vooral Raaijmakers en Van Veen waren zeer kritisch op het wetsvoorstel. Hun grootste bezwaren zagen, kort gezegd, op het optiestelsel voor rechtspersoonlijkheid, de toe- en uittredingsregeling voor vennoten en de (voor een deel verzwaarde) persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten (zie o.a. Raaijmakers 2003, Raaijmakers 2012, Van Veen 2003 en Van Veen 2011). Daarnaast was in het bijzonder Schwarz zeer kritisch op de nieuwe regeling over de commanditaire vennootschap, zie Schwarz 2008.
Slagter 2012, p. 233.
Zie Kroeze 2012 en Van Mourik 2011.
Zie bijvoorbeeld Nieuwe Weme, Van Olffen & Van Solinge 2011, Nieuwe Weme, Van Olffen & Van Solingen 2011a, Winter 2011, Boschma & Mathey-Bal 2012, Slagter 2012 en Hamers 2012.
In deze werkgroep namen naast voorzitter Van Olffen zitting: Drion, Gitmans van Veen, Zaman, Raaijmakers, Tervoort, Blanco Fernández, Meijers en Essers. Van Olffen e.a. 2016.
Van Olffen e.a. 2016.
Hierna: conceptwetsvoorstel. Zie hierover uitgebreid paragraaf 1.2.2.1.
Zoals de optionele rechtspersoonlijkheid, herstructureringsmogelijkheden, de aansprakelijkheid van de vennoten, de toe-en uittredingsregeling voor de vennoten en de regeling omtrent de commanditaire vennootschap. Zie hierover uitgebreid paragraaf 1.2.2.
Kroeze 2012.
Zie o.a. Wuisman 2011, Stevens 2008, McCahery & Vermeulen 2005, Kamp 1995, Arisz e.a. 1991 en Arisz & Kamphuisen 1987.
Reijnen 2012, p. 5.
Boschma & Mathey-Bal 2012.
Hierna: BV.
Hierna: NV.
Tervoort 2012, p. 2.
Hierna: LLP.
Zoals bijvoorbeeld Holland van Gijzen LLP en Ernst & Young Nederland LLP. Deze tendens werd en wordt mede gevoed door een aantal uitspraken van het Europese Hof van Justitie in het kader van de vrijheid van vestiging. Zie HvJ EG 9 maart 1999, 212/97 (Centros Ltd./Erhvervs- og Selskabsstyrelsen), HvJ EG 5 november 2002, 208/00 (Überseering BV/Nordic Construction Company Baumangament GmbH) en HvJ EG 30 september 2003, 167/101 (Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam/Inspire Art Ltd.).
N.B. de termen ‘vennoot’ en ‘maat’ zullen in dit onderzoek afwisselend worden gebruikt, maar met dezelfde betekenis.
Mohr 1995. Zie voor een uitgebreide beschrijving van deze keuzefactoren paragraaf 2.3.1 van hoofdstuk 2.
Op 15 december 2011 trok de Minister van Veiligheid en Justitie de wetsvoorstellen tot vaststelling en invoering van het nieuwe personenvennootschapsrecht (titel 7.13 BW) in.1 Het nieuwe personenvennootschapsrecht, dat al sinds 2002 in aantocht was, is er daarmee nooit gekomen. Pas wanneer in de praktijk gebleken knelpunten ermee worden opgelost, zal een vernieuwing van het personenvennootschapsrecht in overweging worden genomen, aldus de minister. Volgens de minister2 was er (in ieder geval) destijds in de praktijk onvoldoende draagvlak voor en behoefte aan de voorgestelde nieuwe rechtsvormen. Ook zou de invoering (te) hoge kosten met zich meebrengen en daarnaast niet voldoen aan de primaire doelstelling van de nieuwe wetgeving: het faciliteren van ondernemers. De nieuwe regeling zou bovendien niet gebruiksvriendelijk en onnodig ingewikkeld zijn.
In de literatuur werd met verontwaardiging op het besluit van de minister gereageerd. Ook leidde de intrekking tot vragen in de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel was door diezelfde Kamer immers reeds goedgekeurd en hoewel er vanuit academische kringen (en de praktijk) uiteraard ook kritiek3 was geuit gedurende de jaren dat het wetsvoorstel aanhangig was, was er, zoals Slagter dat zo mooi verwoordt,4 eigenlijk niemand in de wereld van het vennootschapsrecht die (de) intrekking toejuichte. Onder kreten als: ‘Ondernemers paaien?’ en ‘Wie het hardst schreeuwt [VNO-NCW en MKB Nederland, SvdW] wordt blijkbaar het best gehoord?’, werd fel geprotesteerd tegen de, volgens sommigen primair politieke,5 beslissing van de minister.6 Hoewel er inmiddels door de Werkgroep Personenvennootschappen,7 onder leiding van Van Olffen, een voorstel8 is gedaan voor de invulling van een nieuwe titel 7.139 waarin de controversiële punten10 uit de ingetrokken wetsvoorstellen anders zijn vormgegeven of niet meer voorkomen, lijkt de invoering van een nieuwe regeling niet heel dichtbij. Dit betekent dat diegenen die gebruik willen maken van een Nederlandse personenvennootschap, het nog altijd moeten doen met een uit 1838 stammende, versnipperde en slecht leesbare regeling die volgens velen niet meer voldoet aan de wensen en eisen van de huidige tijd.11
Naast de ontwikkelingen rondom titel 7.13 speelt sinds begin jaren negentig de (deels overigens ook uit het wetsvoorstel voortvloeiende) discussie omtrent de wenselijkheid van de invoering van een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid.12 De vergaande persoonlijke aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren, zoals notarissen, medisch specialisten en advocaten, die van oudsher veelal opereren vanuit een maatschap,13 wordt aanhoudend bezwaarlijk gevonden en bediscussieerd.14 Het afgelopen decennium is er (dan ook) een tendens te zien van beroepsbeoefenaren die, voorheen samenwerkend in een maatschap, op zoek gaan naar alternatieve rechtsvormen. Gedreven door de aansprakelijkheidsproblematiek, maar vaak ook door problemen van meer juridisch-organisatorische aard, besluiten zij steeds vaker om hun samenwerking voort te zetten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,15 naamloze vennootschap16 of coöperatie.17 Ook buitenlandse, op samenwerking gerichte, rechtsvormen, zoals de limited liability partnership,18 worden steeds vaker verkozen boven (het gebruik van) de maatschap.19 Daarnaast maken veel beroepsbeoefenaren die (nog) wel samenwerken in de maatschap gebruik van een praktijkvennootschap. Het ‘tussenschuiven’ van een BV als vennoot20 van de maatschap, heeft ten doel persoonlijke aansprakelijkheden van de beroepsbeoefenaar te beperken.
Zowel de ontwikkelingen rondom titel 7.13 als de discussie over de bruikbaarheid van de maatschap als rechtsvorm voor samenwerkende beroepsbeoefenaren vormen de aanleiding voor dit onderzoek.
Het is de vraag of de andere rechtsvormen die het Nederlands recht biedt (met name de BV, NV en coöperatie) wel (zo) geschikt zijn voor de samenwerking tussen beroepsbeoefenaren. De optimale rechtsvorm voor beroepsbeoefenaren dient namelijk enerzijds fiscaal aantrekkelijk te zijn en een voor samenwerking van beroepsbeoefenaren passende organisatiestructuur te bieden, en anderzijds, zoals gezegd, de persoonlijke aansprakelijkheid van vennoten voor een mogelijke (beroeps)fout van één van hen zo volledig mogelijk uit te sluiten.21 Het is de vraag of de in Nederland beschikbare rechtsvormen over (al) deze kenmerken beschikken.
In dit eerste hoofdstuk worden de opzet en uitgangspunten van het onderzoek besproken. In paragraaf 1.2 wordt gestart met een nadere beschrijving van het probleem en wordt de onderzoeksvraag geformuleerd. Vervolgd wordt met een weergave van de doelstelling en de opzet van het onderzoek. Daarbij zal ook verantwoording worden afgelegd over de gebruikte (onderzoeks)methode (paragraaf 1.3). In paragraaf 1.4 wordt afgesloten met een beschrijving van de opbouw van de volgende hoofdstukken.