De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.8.1:7.3.8.1 Door wie?
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.8.1
7.3.8.1 Door wie?
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375599:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:50 BW is van toepassing op uiterste wilsbeschikkingen; zie Asser/Perrick 4 2013/230.
Groene Serie Erfrecht, art. 4:62 BW, aant. 2.1, W. Breemhaar.
In de parlementaire geschiedenis van art. 4:62 lid 1 BW wordt ook verwezen naar dit artikel; zie Parl. Gesch. Inv. BW Boek 4, p. 1800 (MvT).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 192 (MvA II).
Vgl. Handboek Erfrecht 2011, p. 254.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
323. Wie kunnen een uiterste wilsbeschikking vernietigen? De regel van art. 3:50 BW bepaalt dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring verricht wordt door hem in wier belang de vernietigingsgrond bestaan, tot hen die partij zijn bij de rechtshandeling.1 Voor uiterste wilsbeschikkingen zijn degenen in wiens belang de vernietigingsgronden bestaan degenen die onmiddellijk voordeel hebben van de vernietiging van een uiterste wilsbeschikking.2 In het geval van een erfstelling is degene met onmiddellijk voordeel van vernietiging degene die zonder de erfstelling erfgenaam zou zijn. Bij een legaat is dat degene op wie het legaat rust, of een mede-legataris wiens legaat wordt verminderd indien het vernietigbare legaat geldig blijft. Als twee of meer personen een beroep kunnen doen op een vernietigingsgrond, kunnen zij dit ieder voor zich doen.3 Dit kan worden afgeleid uit art. 4:62 lid 1 BW, waarin wordt bepaald dat vernietiging slechts plaatsvindt, voor zover nodig om het nadeel op te heffen van degene die zich op de vernietigingsgrond beroept. In deze bepaling resoneert de regeling van de partiële nietigheid van art. 3:41 BW,4 waaronder blijkens de parlementaire geschiedenis ook partiële vernietigbaarheid wordt begrepen.5
Stel dat erflater A tot zijn erfgenamen B, C en D benoemt, en daarnaast een legaat maakt ten gunste van geestelijk verzorger X voor een bedrag van €15.000. Als B berust in het legaat, maar C en D zich beroepen op de vernietigingsgrond van art. 4:59 lid 1 BW, dan wordt het legaat vernietigd voor zover nodig is om het nadeel van C en D op te heffen. Het legaat blijft in stand voor een bedrag van €5000.6
Dit kan echter problematisch uitwerken als een ondeelbare prestatie in het geding is, zoals een legaat van een specieszaak. Analoge toepassing van art. 3:54 BW zou een oplossing kunnen bieden. Op grond van dat artikel vervalt de bevoegdheid om een beroep te doen op een vernietigingsgrond als tijdig een wijziging van de rechtshandeling voorstelt, die het nadeel op afdoende wijze opheft. Dit wetsartikel geldt echter alleen voor meerzijdige rechtshandelingen die vernietigbaar zijn wegens misbruik van omstandigheden. Analoge toepassing op een eenzijdige rechtshandeling voor alle vernietigingsgronden strekt wellicht te ver. Wel bepaalt art. 4:62 lid 4 BW dat art. 3:54 BW van overeenkomstige toepassing is als een legataris in verband met een op grond van misbruik van omstandigheden vernietigbaar legaat verplicht is een tegenprestatie te verrichten.7