Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/228:228 Inning en verhaal buiten faillissement
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/228
228 Inning en verhaal buiten faillissement
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD32569:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:81 lid 2 aanhef en sub a BW. Vgl. HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 m.nt. WMK (Mulder q.q./CLBN).
Art. 3:255 jo. 253 BW. Zie over dit alles, alsmede over hetgeen geldt als sprake is van derden die een recht op de vordering of het geïnde hebben en over hetgeen dient te geschieden met een na verhaal door de pandhouder resterend surplus, par. 3.3.4-3.3.5 hiervóór en par. 11.5.3.1 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regeling van de inningsbevoegdheid en het verhaal op de opbrengst van een verpande vordering buiten het faillissement van de pandgever is weinig problematisch. De posities van enerzijds de pandgever en anderzijds de pandhouder zijn in de meeste opzichten duidelijk.
Zolang sprake is van een stil pandrecht, is uitsluitend de pandgever inningsbevoegd. Door betaling van de vordering aan de inningsbevoegde pandgever gaat de vordering teniet, met als gevolg dat ook het op de vordering rustende pandrecht tenietgaat.1
Nadat het pandrecht aan de debiteur van de verpande vordering is medegedeeld, is uitsluitend de pandhouder inningsbevoegd,2 tenzij de pandgever toestemming voor de inning heeft verkregen van de pandhouder of de kantonrechter.3 Zolang de pandhouder inningsbevoegd is, kan de schuldenaar uitsluitend aan de pandhouder bevrijdend betalen. Ook in geval van betaling van de verpande vordering aan de pandhouder gaat het pandrecht teniet als gevolg van het tenietgaan van de vordering. Op het geïnde komt een substitutiepandrecht van de pandhouder te rusten.4 De pandhouder is bevoegd zich op het door hem geïnde te verhalen door zichzelf daaruit te voldoen zodra zijn vordering op de pandgever opeisbaar is.5