Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.2
I.2.2 Rechtvaardiging van een omzetbelasting in het algemeen
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS492895:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook P. Kavelaars, Harmonisatie van vrij personenverkeer: een drieluik (oratie Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p. 11; Van Norden 2007, p. 21-22 en de door hem aangehaalde literatuur.
Weliswaar in afgeslankte vorm ten opzichte van de eerste voorstellen vanwege bedenkingen over de rechtvaardigheid, maar toch. Zie Van Hilten & Van Kesteren 2014, p. 3-4; K.M. Braun, in: Cursus Belastingrecht OB.0.0.10.A. (online, laatst bijgewerkt op 20 maart 2016); H. Vording, ‘Tweehonderd jaar rijksbelastingen in trends en thema’s’ in: H. Vording (red.), Tweehonderdjaar Rijksbelastingen, Den Haag: Sdu 2015, p. 56.
J.C.L. Huiskamp, De omzetbelasting in internationaal verband, Deventer: N.V. Uitgeversmaatschappij Æ.E. Kluwer 1966, p. 24 e.v.
Zie nader over fiscale illusie H. Vording, K.P. Goudswaard & C.L.J. Caminada, ‘Moet de burger zijn belastingen kennen?’, WFR 2005/971.
Alvorens nader op de strekking van de omzetbelasting in te gaan, is het interessant stil te staan bij de vraag of het heffen van een omzetbelasting in zijn algemeenheid eigenlijk rechtvaardig is en, zo ja, waarom. Ofschoon een omzetbelasting net als andere belastingen kan bijdragen aan de financiering van overheidsuitgaven, vormt zij geen uitgesproken uiting van de idee dat iedereen die van de overheid profijt heeft moet bijdragen, al dan niet naar draagkracht.1
Historisch en internationaal bezien lijkt de invoering van de moderne omzetbelastingen vooral verklaarbaar als noodgreep. Zij zijn vaak ingevoerd in crisistijden, waarin de bodem van de schatkist van de betreffende staat in zicht was en een verhoging van andere belastingen weinig effectief meer zou zijn geweest. Zo is in Nederland de eerste wet op de omzetbelasting in de crisis van de jaren dertig ingevoerd.2 Duitsland en Frankrijk hebben hun omzetbelastingen tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog ingevoerd.3 Deze historische verklaring van het bestaan van omzetbelastingen biedt echter niet zonder meer een rechtvaardiging voor het (voort)bestaan van de omzetbelasting nu, tientallen jaren later. Een feit is evenwel dat de omzetbelasting niet meer is weg te denken uit het Nederlandse belastingstelsel. Mijn indruk is bovendien dat de omzetbelasting tegenwoordig niet (meer) in brede kringen wordt ervaren als onrechtvaardig belastingmiddel. Volgens mij spelen daarbij zeker drie overwegend praktische factoren een rol. Ten eerste is het huidige niveau van overheidsuitgaven zonder een omzetbelasting waarschijnlijk niet vol te houden. Ten tweede speelt een rol dat door verloop van tijd ook het abnormale de neiging heeft normaal te worden. Ten derde doet het fenomeen fiscale illusie zich voor: de doorsnee burger kan niet goed bepalen hoeveel omzetbelasting hij (indirect) betaalt.4 Dat kan de omzetbelasting een relatief aantrekkelijke belasting maken voor politici die hogere overheidsuitgaven voorstaan.
Voor de gepercipieerde rechtvaardigheid kan verder belangrijk zijn dat de omzetbelasting in de basis niet willekeurig is. Over het geheel genomen is duidelijk welk object de wetgever beoogt te belasten en bij wie. Er zit, me andere woorden, een duidelijke strekking in de Wet OB 1968. Voor zover de wet in zijn uitwerking in individuele gevallen resulteert in een belastingheffing overeenkomstig die strekking, bestaat een aanmerkelijke kans dat hij tegemoetkomt aan het verlangen naar rechtsgelijkheid. Aangezien rechtsgelijkheid een wezenlijk beginsel van de liberale rechtstaat is, is het alleen daarom al van belang nader te onderzoeken wat de strekking van de omzetbelasting precies inhoudt, om daarna het huidige recht eraan te toetsen. Voor het overige veronderstel ik dat een omzetbelasting conform de hierna te bespreken strekking te rechtvaardigen is.