De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.3.2.2:IV.19.3.2.2 Vereisten voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.3.2.2
IV.19.3.2.2 Vereisten voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382568:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht Damen e.a. 2013, p. 426-428.
Schlössels en Zijlstra 2010, p. 428-430.
Schlössels en Zijlstra 2010, p. 428.
Damen e.a. 2013, p. 421 e.v. en Schlössels en Zijlstra 2010, p.431-432.
Damen e.a. 2013, p. 429.
Schlössels en Zijlstra 2010, p. 433-434. In contra legemsituaties wordt het dispositievereiste doorgaans wel gesteld. Zie Damen 2013, p. 429.
Zie meer uitgebreid onder meer Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2014, p. 321-322.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. Pas wanneer sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, verdient het vertrouwen bescherming. Voor de vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen is van belang op welke wijze het vertrouwen is gewekt. Wanneer bijvoorbeeld door een bestuursorgaan een toezegging is gedaan, dan geldt dat hoe harder de toezegging is, des te eerder de overheid eraan is gebonden.1 Ongeclausuleerde en ondubbelzinnige toezeggingen zijn veelal bindend voor de overheid.2 Vertrouwen kan ook anders dan door toezeggingen worden gewekt, bijvoorbeeld door inlichtingen die van overheidswege zijn verstrekt.3 In de tweede plaats is van belang door wie het vertrouwen is gewekt. Als hoofdregel geldt dat alleen het bevoegde bestuursorgaan vertrouwen kan wekken. In de rechtspraak worden onder omstandigheden uitzonderingen gemaakt voor een individuele wethouder of ambtenaar.4
Een volgend element is het dispositievereiste. In het kader van dit vereiste dient te worden nagegaan of op enigerlei wijze is voortgebouwd op het aanwezige vertrouwen, waardoor degene die heeft vertrouwd (de fidens) in een nadeliger positie komt te zitten wanneer zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet wordt gehonoreerd. Betwijfeld wordt of voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de fidens heeft gedisponeerd. De bestuursrechter stelt immers niet consequent dat voldaan moet zijn aan het dispositievereiste. Disponeren lijkt aldus geen noodzakelijke voorwaarde voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Aanwezigheid van gerechtvaardigd vertrouwen is an sich een rechtens te beschermen belang.5 Disponeren maakt de positie van de fidens wel sterker.6
Wanneer is vastgesteld dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, moet worden getoetst aan de zogenaamde contra-indicaties. De wet, het algemeen belang of de belangen van derden kunnen namelijk in de weg staan aan honorering van een beroep op het gerechtvaardigd vertrouwen.7 Per geval dient te worden bezien of contra-indicaties in de weg staan aan honorering van het beroep op het vertrouwensbeginsel.