Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/387
387 Uitoefening van afhankelijke zekerheidsrechten op grond van een redelijke wetsuitleg
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD105579:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 7:855 BW.
Aldus ook Kortmann 1993, Kortmann 2005 en Kortmann in zijn noot in JOR onder HR 11 maart 2005, JOR 2005/131 m.nt. SCJJK, NJ 2006, 362 m.nt. H.J. Snijders, JIN 2005/162 m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2006/2 m.nt. AvH (Rabobank/Erven Hengstmengel c.s.). Vgl. ook Snijders 1999, p. 584. Vgl. ook reeds Lioni 1885, p. 149 en 175. Hij vindt het vanzelfsprekend dat de pandhouder de aan de vordering verbonden voorrechten kan uitoefenen, om de reden dat de pandhouder het vorderingsrecht van de pandgever uitoefent. In dezelfde zin ook Heyman 1992, p. 346.
Een redelijke wetsuitleg en een vergelijking met beslag leiden tot de conclusie dat de inningsbevoegde pandhouder bevoegd is tot uitoefening van de zekerheidsrechten die van de verpande vordering afhankelijk zijn, ongeacht of deze rechten vóór of na de verpanding zijn ontstaan. Is het afhankelijke zekerheidsrecht een recht van pand of hypotheek, dan is de inningsbevoegde pandhouder bevoegd het in zekerheid gegeven goed te executeren als de pandgever daartoe bevoegd zou zijn geweest als op zijn vordering geen openbaar pandrecht zou zijn gevestigd. De pandhouder wiens vordering opeisbaar is, is vervolgens bevoegd zich met voorrang te voldoen uit de executie-opbrengst. Is het afhankelijk zekerheidsrecht een borgtocht, dan is de inningsbevoegde pandhouder bevoegd nakoming van de borg te vorderen als de debiteur van de verpande vordering jegens de pandgever tekortschiet.1 Is zijn vordering opeisbaar, dan is de pandhouder bevoegd zich te voldoen uit de opbrengst van de vordering op de borg.
Deze rechten heeft de pandhouder niet doordat de betreffende zekerheidsrechten als afhankelijke rechten op hem overgaan, maar omdat een redelijke wetsuitleg leidt tot de conclusie dat wie bevoegd is een vordering te innen, zich tevens op de van die vordering afhankelijke zekerheidsrechten kan beroepen. De uitoefening door de pandhouder past in het systeem van de wet: in de bevoegdheid om nakoming van een vordering te vorderen ligt de bevoegdheid om de nakoming af te dwingen met de daartoe bestaande rechten besloten.2