Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/252
252 Wenselijk recht
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 06-11-2025
- Datum
06-11-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD33299:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 1999/00, 27 244, nr. 3, randnummer 65 en Kamerstukken I 2004/05, 27 244, nr. C, p. 2-3.
Ook Faber 2005, nr. 438 heeft er voor gepleit de afkoelingsperiode (weer) te beperken tot zaken en daarmee gelijk te stellen goederen, zoals rechten aan toonder. Ook Leuftink 1995, p. 120 heeft geconstateerd dat er geen goede reden is om de afkoelingsperiode mede van toepassing te doen zijn op vorderingen. Opgemerkt zij dat geld en effecten zoals gedefinieerd in art. 7:51 BW niet worden getroffen door een afkoelingsperiode als zij zijn verpand ter uitvoering van een financiëlezekerheidsovereenkomst; zie art. 63d Fw.
Voor het aan de pandhouder ontnemen van de bevoegdheid om zich tijdens de afkoelingsperiode op het geïnde te verhalen, zijn in de wetsgeschiedenis twee argumenten aangevoerd. Verhaal op het geïnde zou de mogelijkheden van de curator om de boedel te inventariseren verminderen en voorkomen zou moeten worden dat de houder van een stil pandrecht op een vordering gedurende de afkoelingsperiode in een betere positie zou zijn dan de houders van een pandrecht op een roerende zaak of hypotheekhouders, die gedurende de afkoelingsperiode niet kunnen executeren en zich bijgevolg ook niet op de opbrengst van het goed waarop hun zekerheidsrecht rust kunnen verhalen.1
Deze beide argumenten overtuigen niet. Niet valt in te zien dat verhaal op de opbrengst van een door de pandhouder geïnde vordering van de gefailleerde de inventarisatie van de boedel door de curator belemmert. Dat een afkoelingsperiode verschillende gevolgen heeft voor de houders van verschillende zekerheidsrechten is mijns inziens evenmin een overtuigend argument. Reeds het feit dat rechten van elkaar verschillen rechtvaardigt mijns inziens dat de gevolgen van een afgekondigde afkoelingsperiode voor die rechten verschillend zijn.
Er is een goede reden om verhaal door de pandhouder gedurende de afkoelingsperiode wel toe te staan. Pand- en hypotheekhouders kunnen hun na de faillietverklaring verschenen rentevorderingen verhalen op de opbrengst van het goed waarop hun zekerheidsrecht rust. Na de faillietverklaring verschenen rentevorderingen die niet door pand of hypotheek zijn gedekt kunnen niet worden geverifieerd.2 Gevolg hiervan kan zijn dat de pandhouder (een deel van) zijn tussen het moment van inning en het einde van de afkoelingsperiode gekweekte rentevordering op de opbrengst verhaalt. Zou geen afkoelingsperiode zijn afgekondigd dan zou de pandhouder mogelijk terstond na de inning verhaal op het geïnde hebben genomen, waardoor hij minder rente te vorderen zou hebben en op het geïnde zou kunnen verhalen. Een afkoelingsperiode die aan verhaal door de pandhouder op het door hem geïnde in de weg staat, kan aldus nadelig zijn voor de gefailleerde en diens crediteuren.
Ook de andere ratio van de afkoelingsperiode, het gedurende een zekere periode bij elkaar houden van de bedrijfsmiddelen van de door de gefailleerde gedreven onderneming, is geen grond om deze mede van toepassing te laten zijn op vorderingen op naam. Mijn conclusie luidt dat de afkoelingsperiode in het geheel niet van toepassing zou moeten zijn op vorderingen op naam. Het verdient aanbeveling dat de wetgever (beperkte rechten op) vorderingen op naam uitzondert van de werking van de afkoelingsperiode.3