Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.13.3.3
III.13.3.3 Kwalificatie van het intrekkingsbesluit
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377667:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
In deze paragraaf zal, gelet op de diversiteit aan intrekkingsgronden, slechts worden stilgestaan bij de intrekking als reactie op het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens. Een soortgelijke discussie doet zich echter ook ten aanzien van andere intrekkingsgronden voor, bijvoorbeeld ten aanzien van de intrekking wegens gevaar voor de openbare orde. Zie meer uitgebreid over de intrekking van verblijfsvergunningen en de kwalificatie als sanctie: Hazewindus 1994, p. 206 e.v. Zie over de intrekking wegens gevaar voor de openbare orde meer uitgebreid paragraaf 6.2.2.2.
Zie onder meer ABRvS 9 april 2008, JN 2008/012, ABRvS 8 juli 2009, ECLI:NL:RVS: 2009:BJ1904, ABRvS 19 oktober 2011, JV 2011/502, ABRvS 11 september 2013, ECLI:NL: RVS:2013:1116 en ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:108.
Kamerstukken II 1998/99 25891, nr. 5, p. 22-23.
C5/2.1 Vc 2000 (oud).
Van Bennekom en Van der Winden 2011, p. 382 en 383.
Vgl. art. 5:2 lid 1 sub a Awb.
Art. 14 lid 2, paragraaf 2 HRWN.
Art. 14 lid 1, paragraaf 2.2 HRWN.
Art. 14 lid 1, paragraaf 2.2 HRWN.
Hazewindus 1994, p. 207.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 4 juni 2009, JV 2009/322 en ABRvS 2 augustus 2004, JV 2004/364, met een verwijzing naar Kamerstukken II 1999/00, 26732, nr. 7, p. 25-26.
Een volgende vraag die kan worden gesteld is of de intrekking op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Vreemdelingenwet onder omstandigheden als sanctie kan worden gekwalificeerd, en zo ja, of van een herstel- of bestraffende sanctie sprake is.1 Het meest prangend is deze vraag bij de intrekking vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens. In de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap wordt hieromtrent overwogen:
‘De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.’
De Afdeling bestuursrechtspraak lijkt met deze kwalificatie geen moeite te hebben. Keer op keer wordt de in de Handleiding opgenomen tekst herhaald.2 In de parlementaire geschiedenis bij art. 14 lid 1 RWN wordt opgemerkt dat de intrekking een bestuursrechtelijke correctievemaatregel is.3
Ook een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken indien onjuiste dan wel onvolledige informatie is verstrekt. In een eerdere versie van de Vreemdelingencirculaire werd daarover expliciet opgemerkt dat geen sprake is van een bestraffende sanctie. Met de intrekking wordt beoogd de situatie te herstellen zoals die zou zijn geweest indien wel juiste dan wel volledige informatie zou zijn verstrekt. De intrekking werd aldus aangemerkt als herstelsanctie.4 In de literatuur is eveneens de opvatting te vinden dat een dergelijke intrekking slechts is gericht op herstel.5
De vraag is wat nu hiervan te denken. In de eerste plaats geldt mijns inziens dat een intrekking vanwege het verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige gegevens als sanctie kan worden gekwalificeerd. De intrekking vormt immers een reactie op een door de geadresseerde begane overtreding.6 Op de aanvrager rust namelijk een informatieplicht, inhoudende dat bij een aanvraag correcte en volledige informatie wordt verstrekt. Het niet voldoen aan deze verplichting, levert een overtreding op, hetgeen de intrekking als reactie hierop als sanctie kwalificeert. Dan resteert de vraag of de intrekking als herstelsanctie dan wel als bestraffende sanctie moet worden gekwalificeerd. De formulering van art. 14 lid 1 RWN lijkt in de eerste plaats sterk op strafrechtelijke bepalingen. Intrekking kan op grond van deze bepalingen plaatsvinden
‘indien zij (BdK: de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap) berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit’.
De wetgever heeft hier aansluiting gezocht bij titel XII WvSr (getiteld ‘Valsheid in geschriften, opgave van onware gegevens en schending van de verplichting gegevens te verstrekken’).7 Hetzelfde geldt voor de verjaringstermijn van 12 jaar. Deze is gelijk aan de verjaringstermijn voor valsheid in geschrifte.8 Daar tegenover kan mijns inziens worden betoogd dat met de intrekking slechts wordt beoogd de gevolgen van het ten onrechte verlenen van het Nederlanderschap terug te draaien. Tot intrekking kan immers, gelet op de tekst van art. 14 lid 1 RWN, slechts worden overgegaan wanneer de verlening berust op een valse verklaring, bedrog dan wel het verzwijgen van relevante feiten. Een en ander blijkt ook uit de Handleiding:
‘Intrekking zal slechts worden overwogen indien de betrokkene, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen.’9
Intrekking geschiedt dus slechts wanneer vast staat dat de betrokkene ten onrechte het Nederlanderschap is verleend. Opvallend is hetgeen na voornoemde overweging in de Handleiding staat:
‘Echter, ook indien betrokkene aanvankelijk valse documenten heeft overgelegd, maar later alsnog echte documenten met dezelfde inhoudelijke gegevens heeft overgelegd, zal worden overwogen of tot intrekking van het Nederlanderschap wordt overgegaan.’10
Het Nederlanderschap kan dus ook wegens fraude worden ingetrokken, indien achteraf, aan de hand van juiste gegevens, kan worden vastgesteld dat betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het Nederlanderschap. Ik betwijfel of een dergelijke intrekking dan nog steeds als gericht op herstel kan worden gekwalificeerd. Wat betreft de intrekking van de verblijfvergunning wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie geldt mijns inziens dat met een dergelijke intrekking in beginsel herstel wordt beoogd: de vreemdeling heeft ten onrechte een verblijfsvergunning verkregen, en dus dient deze te worden ingetrokken. Hazewindus formuleert een en ander als volgt:
‘Met de intrekking wordt beoogd en bereikt dat de situatie wordt hersteld: de vergunninghouder had geen recht op de vergunning. Deze intrekking is dus een situatieve sanctie, gericht op het bewerkstelligen van de norm-conforme toestand, waarbij de norm is dat de verblijfstitiel (sic) niet ten onrechte behoort te worden verleend.’11
De Afdeling is eenzelfde mening toegedaan, en sluit zich hiermee aan bij de wetsgeschiedenis.12