Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/458:458 Aanbevelingen aan de wetgever inzake (stil) pand
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/458
458 Aanbevelingen aan de wetgever inzake (stil) pand
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 08-07-2025
- Datum
08-07-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD15991:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Enige aanpassingen van de huidige wettelijke regeling van het pandrecht op vorderingen op naam in Titel 9.2 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en van enkele andere voor pandrechten op vorderingen van belang zijnde wettelijke bepalingen zijn gewenst om op enkele specifieke punten duidelijkheid te verschaffen, in enkele lacunes te voorzien en om enige onderdelen van de regeling in overeenstemming te brengen met de geformuleerde uitgangspunten. De volgende wijzigingen van de huidige wettelijke regeling zijn wenselijk.
Het verdient aanbeveling om art. 3:84 lid 3 BW te schrappen teneinde de overdracht tot zekerheid weer op ruimere schaal mogelijk te maken dan thans het geval is.
Voor de uitwinning van een pandrecht op een vordering tot levering van een registergoed zou een wettelijke regeling moeten worden getroffen die vergelijkbaar is met de huidige regeling voor de afwikkeling van een beslag op een dergelijke vordering. Deze regeling zou uitsluitend open moeten staan voor pandhouders die bevoegd zijn tot het nemen van verhaal op het geïnde.
In art. 3:228 BW zou moeten worden bepaald dat de onoverdraagbaarheid van een vordering niet in de weg staat aan de verpanding ervan, mits de vordering vatbaar is voor inning door de pandhouder en de pandhouder zich op het geïnde kan verhalen.
Onoverdraagbaarheids- en onverpandbaarheidsbedingen tussen partijen die geen natuurlijke personen zijn die niet handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf, zouden geen goederenrechtelijk effect moeten hebben als zij betrekking hebben op geldvorderingen. Daarbij zou de wetgever wel een uitzondering moeten maken voor categorieën van vorderingen waarvoor het wel wenselijk is dat zij door een beding onoverdraagbaar en/of onverpandbaar kunnen worden gemaakt, zoals de vordering van een onderaannemer op een aannemer.
Het verdient primair aanbeveling om de in art. 3:239 lid 1 BW opgenomen beperking van de mogelijkheid tot stille verpanding van toekomstige vorderingen tot vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding te schrappen. Het verdient subsidiair aanbeveling om in deze bepaling het woord rechtstreeks te schrappen, zodat een toekomstige vordering voor stille verpanding vatbaar is als tussen de debiteur en de crediteur van de vordering een rechtsverhouding bestaat die (mede) de grondslag voor het ontstaan van de vordering vormt.
In art. 35 lid 2 Fw zou moeten worden bepaald dat toekomstige vorderingen die door de gefailleerde bij voorbaat zijn geleverd respectievelijk verpand en die op de faillissementsdatum nog niet tot zijn vermogen behoorden, ongeacht of het relatief dan wel absoluut toekomstige vorderingen betreft, buiten de boedel vallen, respectievelijk dat het daarop bij voorbaat gevestigde pandrecht ontstaat, indien het vorderingen betreft die voortvloeien uit een reeds vóór de faillietverklaring tussen de gefailleerde en de debiteur bestaande rechtsverhouding.
Het verdient aanbeveling vorderingen op naam en beperkte rechten op vorderingen op naam uit te zonderen van de afkoelingsperiode als bedoeld in art. 63a e.v. Fw.
Het is primair wenselijk dat de wetgever een algemene wettelijk regeling voor de kwaliteitsrekening treft en daarbij in afdeling 9.2 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek enkele bijzondere bepalingen voor de pandhouder opneemt. Het is subsidiair wenselijk dat de wetgever een regeling treft die de pandhouder die een verpande geldvordering int voordat hij bevoegd is om zich uit het geïnde te voldoen, verplicht tot en in staat stelt om de vordering te innen op - of het geïnde over te brengen naar - een kwaliteitsrekening. Het is wenselijk dat de pandhouder rechthebbende is van de vorderingen op de bank terzake van zo een kwaliteitsrekening.
Het is wenselijk dat de wetgever bepaalt (door aanpassing van art. 3:229 BW) dat een substitutiepandrecht dat ontstaat op grond van het bepaalde in art. 3:229 BW in rang boven een eerdere cessie gaat, indien dit een cessie tot zekerheid is.