Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.3.4:III.9.3.4 Verleggingsregeling bij optie voor belastingheffing
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.3.4
III.9.3.4 Verleggingsregeling bij optie voor belastingheffing
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS493024:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het uitoefenen van een optie voor belastingheffing die in de vorige paragraaf is uitgewerkt, leidt in binnenlandse situatie in beginsel tot een verplichting voor de verrichter van de dienst om omzetbelasting in rekening te brengen. Die is hij dan op basis van artikel 12, lid 1, Wet OB 1968 verschuldigd en kan de afnemer in beginsel op basis van artikel 15, lid 1,Wet OB 1968 als voorbelasting in aftrek brengen. Een nadeel van deze standaardregeling is dat een timingverschil kan bestaan tussen het moment van verschuldigdheid bij de dienstverrichter en het moment van teruggaaf aan de afnemer. Zeker bij rentestromen kan het daarbij om forse bedragen gaan die binnen het concern voor korte tijd moeten worden gefinancierd. Ook voor de schatkist is de standaardregeling niet ideaal. Denkbaar is dat de dienstverrichter de verschuldigde omzetbelasting niet voldoet en failliet gaat. In dat geval blijft in beginsel de verplichting overeind aan de afnemer het recht op aftrek van voorbelasting te verlenen. Daardoor kan voor de schatkist een nadeel ontstaan. Beide nadelen kunnen worden voorkomen door bij uitoefening van de optie de verleggingsregeling toe te passen. De dienstverrichter brengt dan niet langer de omzetbelasting in rekening. De afnemer berekent de omzetbelasting daarentegen zelf en verwerkt deze in zijn aangifte.
Nadelen aan toepassing van de verleggingsregeling in deze context zijn er volgens mij niet of nauwelijks. Het enige aandachtspunt is dat een machtiging van de Raad is vereist in de zin van artikel 395 Btw-richtlijn. Voor bedoelde diensten biedt artikel 199 Btw-richtlijn namelijk geen grondslag voor toepassing van een verleggingsregeling. Op basis van artikel 395 Btw-richtlijn mogen lidstaten na machtiging van de Raad echter afwijkende maatregelen treffen, onder andere ter vereenvoudiging van de belastinginning en ter bestrijding van belastingfraude of ontwijking. De verleggingsregeling kan een zodanige vereenvoudigingsmaatregel worden genoemd. Verder mag een afwijkende maatregel op grond van artikel 395, lid 1, tweede volzin, Btw-richtlijn geen noemenswaardige invloed hebben op de totale belastingopbrengst van Nederland in het stadium van het eindverbruik. Aan die voorwaarde lijkt mij voldaan.