Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/68:68 Een cessionaris is rechthebbende van de vordering, een pandhouder niet
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/68
68 Een cessionaris is rechthebbende van de vordering, een pandhouder niet
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 07-07-2025
- Datum
07-07-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD15916:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 3 januari 1941, NJ 1941, 470 m.nt. PS (Boerenleenbank Hazerswoude/Los)en HR 24 juni 1994, NJ 1995, 368 m.nt. HJS (INB/Klützow q.q.) en zie hiervóór par. 4.2.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 491.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136 m.nt. Steef M. Bartman, NJ 2002, 447 m.nt. Ma (Akzo Nobel/ING).
Zie hierna par. 10.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het stil pandrecht en de fiduciaire zekerheidscessie vervullen dezelfde zekerheidsfunctie. Functioneel benaderd vertonen zij veel overeenkomsten. Deze functionele benadering is terug te vinden in de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin hij voor het pandrecht geschreven wetsbepalingen op de cessie tot zekerheid toepast.1 Juridisch beschouwd is sprake van twee fundamenteel verschillende rechtsfiguren. Hét essentiële verschil is dat door een geldige cessie overdracht van een vordering plaatsvindt en door de vestiging van een pandrecht op een vordering niet. De cessionaris van een tot zekerheid overgedragen vordering is eigenaar van die vordering, de pandhouder is dat niet.2 Dat veel regels inzake de cessie van vorderingen analoog moeten (op grond van de wet) of kunnen worden toegepast op pandrecht op vorderingen doet daaraan niet af. Ook het feit dat een pandrecht wel, door executie van de verpande vordering, tot overdracht kán leiden, doet niets af aan het gegeven dat door cessie de cessionaris rechthebbende van de vordering wordt, maar de pandhouder door verpanding niet; hij heeft ‘slechts’ de bevoegdheid om, als aan enkele voorwaarden is voldaan,3 de vordering te innen dan wel te verkopen en zich op de opbrengst, met voorrang, te verhalen.
Veel verschillen tussen de positie van een (fiduciair) cessionaris en de houder van een (stil) pandrecht zijn terug te voeren op het gegeven dat een cessionaris rechthebbende van de vordering is en een pandhouder niet. Een voorbeeld: discussie over de vraag of een pandhouder rechten kan ontlenen aan een ten behoeve van de schuldeisers van de debiteur van de verpande vordering afgelegde ‘403-verklaring’,4 zal met betrekking tot de cessionaris van dezelfde vordering niet ontstaan. Immers: de cessionaris is schuldeiser van de debiteur. Een ander voorbeeld: een cessionaris kan, als aan de vereisten voor een beroep op verrekening is voldaan, zijn schuld aan de debiteur van de vordering verrekenen met de gecedeerde vordering. De pandhouder die niet de schuldenaar is van de verpande vordering kan zijn schuld aan de debiteur niet verrekenen met de verpande vordering, omdat aan het vereiste van wederkerig schuldenaarschap niet is voldaan.5
In deze paragraaf komen niet alle (mogelijke) consequenties van het gegeven dat de pandhouder geen rechthebbende van de vordering is aan bod. Deze komen aan bod in de volgende hoofdstukken van dit boek voor zover dat relevant is voor de daar te behandelen vragen. Wel komt hier een aantal verschillen tussen stil pandrecht en fiduciaire cessie aan bod dat een rol speelt bij de beantwoording van de vraag die in hoofdstuk 5 wordt gesteld: is het wenselijk om de cessie tot zekerheid weer op ruimere schaal dan thans het geval is mogelijk te maken?