Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.5.5
2.5.5 (Overheids)toezegging
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS381614:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 1433 (MvA I Inv).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 1434 (MvA I Inv).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 1435 (MvA I Inv). Vgl. Zie HR 13 februari 1981,NJ 1981/456 (Heesch/Reijs); HR 17 januari 1985, NJ 1985/559 (Patelski/Sittard); HR 6 december 1985, NJ 1986/230 (Frenkel/KRO); HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1 (Overzee/Zoeterwoude). Denkbaar is ook dat wel een overeenkomst bestaat, maar dat wegens onvoorziene omstandigheden zoals een beleidswijziging geen nakoming maar slechts schadevergoeding gevorderd kan worden, vgl. HR 23 juni 1989, NJ 1991/673; HR 10 september 1993, RvdW 1993/168.
De Kluiver 1992, p. 125 e.v.; Huijgen 1991, p. 45; A.R. Bloembergen, ‘Boekbespreking J.M.M. Menu, De toezegging in het privaatrecht’, RM Themis 1996, p. 58; Ackermans-Wijn 1989, p. 105-106; Smits 1995, p. 323-324, zie ook genuanceerder Smits 2003, nr. 33; vgl. HR 25 juni 2010, NJ 2010/371 (Provincie Gelderland/ Vitesse c.s.); HR 22 februari 1974, NJ 1975/381.
Vranken 1989, nr. 87; Menu 1994; W. Snijders, in: Bestuursrecht en Nieuw BW, JUVAT-bundel, Zwolle: Tjeenk Willink 1988, p. 61; W. Snijders 1999 I, p. 560; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/102, zie ook Hartkamps conclusie bij HR 29 mei 1998,NJ 1999/98 (Mooijman/Netjes); Scheltema in Scheltema en Konijnenbelt 1975, p. 32 e.v.; P.A. Stein, noot bij HR 25 januari 1985, NJ 1985/559; R.M. Schoonenberg, ‘De toezegging in het licht van recente jurisprudentie’, in: P. Abas et al., Omwille van de consument. Opstellen aangeboden aan Prof. mr. P. Clausing, Zwolle: Tjeenk Willink 1990, p. 105 en ‘De privaatrechtelijke gevolgen van door de overheid gedane toezeggingen’, WPNR 5765 (1985), p. 808; Klein Sprokkelhorst 1999, p. 111-112; A-G Strikwerda in zijn conclusie bij HR 20 september 2002, NJ 2004/48 (Curaçao Cable Television/Nederlandse Antillen); Rb. Alkmaar 27 augustus 1992, NJ 1993/772. Van Erp benadert gebondenheid aan de toezegging vanuit een rechtsbetrekkingsmodel, Van Erp 1990, p. 304 e.v.
Zie ook S.E. Bartels en C. Spierings, ‘Vitesse-Provincie Gelderland: 1-0. Annotatie bij HR 25 juni 2010, LJN BL5420’, AAe 2010/12, p. 881. Zie voor de onderbouwing van de stelling dat eenzijdige rechtshandelingen verbintenissen kunnen scheppen par. 10.2.
86. De juridische betekenis van het doen van een toezegging is in een onderzoek naar de eenzijdige rechtshandeling een fundamentele vraag. Het concept ‘toezegging’ kent echter geen vastomlijnde juridische betekenis.1 De wetgever overweegt dat sprake is van steeds andere feitencomplexen en uiteenlopende gevallen die niet onder één noemer kunnen worden gebracht, en dat het daarom van de omstandigheden van het geval afhangt welke regels in een concrete casus van toepassing zijn.2 Soms kan een toezegging worden gekwalificeerd als een aanbod en kan na aanvaarding nakoming worden gevorderd. In andere gevallen bestaat enkel een mogelijkheid tot het vorderen van schadevergoeding op grond van onrechtmatige (overheids)daad, wegens het veronachtzamen van een verplichting die geen verbintenis oplevert.3
In de literatuur zijn verschillende standpunten ingenomen over de grondslag van gebondenheid aan een (overheids)toezegging. Sommige auteurs kiezen de lijn van de wetgever en baseren gebondenheid op ofwel het bestaan van een overeenkomst, ofwel onrechtmatige daad.4 Andere auteurs kwalificeren de toezegging echter als een eenzijdige rechtshandeling, die zelfstandig (en dus niet alleen wanneer zij aanvaard is) verbintenissen kan scheppen.5 Ik sluit me hierbij aan.6