De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.6:3.6 Conclusie
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.6
3.6 Conclusie
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS380431:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
173. Systematisch hebben het Duitse en het Nederlandse verbintenissenrecht veel met elkaar gemeen. Ook het Duitse recht gaat uit van wilsverklaringen, rechtshandelingen en eenzijdige rechtshandelingen. Veel voorbeelden van eenzijdige rechtshandelingen in het Nederlandse recht worden ook naar Duits recht gekwalificeerd als eenzijdige rechtshandeling. Een belangrijk verschil is het in §311 BGB vastgelegde Vertragsprinzip. Voor het scheppen, veranderen of tenietgaan van een verbintenis is een overeenkomst vereist, tenzij de wet anders bepaalt. Nederlands recht vereist in art. 6:1 BW alleen dat verbintenissen ‘voortvloeien uit de wet’. Deze bepaling ziet bovendien alleen op het scheppen van verbintenissen en niet op het wijzigen of tenietdoen ervan. In een aantal gevallen kan het verrichten van een eenzijdige rechtshandeling het ontstaan van een verbintenis tot gevolg hebben, terwijl dat niet met zoveel woorden in de wet is bepaald maar dat wel uit het systeem van de wet voortvloeit. Feitelijk is er dus geen verschil tussen de Nederlandse en de Duitse norm. De betekenis van §311 BGB moet mijns inziens dan ook gerelativeerd worden. De functie van het artikel is vooral dat het een uitgangspunt weergeeft. Dat uitgangspunt hoeven we mijns inziens in het Nederlandse recht niet over te nemen.
De Auslobung is een interessante figuur, omdat in de doctrine een heel redelijk en pragmatisch standpunt wordt ingenomen. De contractuele constructie wordt verworpen, omdat dat gekunsteld zou zijn, en algemeen is aanvaard dat de Auslobung als eenzijdige rechtshandeling de bron van verbintenissen is. Die pragmatische blik zou wat mij betreft vaker de overhand mogen nemen op de dogmatische visie die in §311 BGB uitgedragen wordt.
174. Het Duitse recht onderscheidt tussen einseitig-gestaltende en sonstige einseitige Rechtsgeschäfte. De eerste categorie bestaat uit eenzijdige rechtshandelingen waarmee een partij een wilsrecht uitoefent. Hij geeft daarmee zijn rechtsverhouding nader vorm, wijzigt deze of doet deze teniet. Voorbeelden zijn de vernietigings- en de verrekeningsverklaring. Sonstige einseitige Rechtsgeschäfte zijn ‘overige’ eenzijdige rechtshandelingen, die niet worden verricht in het kader van een al bestaande rechtsverhouding, maar op zichzelf staan. De meest aangehaalde voorbeelden zijn het testament, de uitloving en de derelictie. In het Nederlandse recht wordt dat onderscheid niet expliciet gemaakt, maar de Nederlandsrechtelijke voorbeelden kunnen langs dezelfde lijn worden gecategoriseerd.
In het Nederlandse recht wordt onderscheid gemaakt tussen gerichte en ongerichte eenzijdige rechtshandelingen. Op vergelijkbare wijze onderscheidt het Duitse recht empfangsbedürftige en nichtempfangsbedürftige eenzijdige rechtshandelingen, naar gelang de rechtshandeling ontvangen moet worden door een geadresseerde om werking te verkrijgen. Sonstige einseitige Rechtsgeschäfte zijn veelal nichtempfangsbedürftig en einseitig-gestaltende Rechtsgeschäfte zijn doorgaans empfangsbedürftig. Er zijn echter uitzonderingen. Zo is volmachtverlening een sonstige, empfangsbedürftige eenzijdige rechtshandeling.
175. Net als in het Nederlandse BW ontbreekt een integrale regeling van de eenzijdige rechtshandeling. Er zijn wel een aantal regels in het BGB opgenomen. In het oog springt dat in het Duitse recht meer dan in het Nederlandse recht nadruk wordt gelegd op rechtszekerheid voor de geadresseerde van een eenzijdige rechtshandeling. Sonstige einseitige Rechtsgeschäfte kennen vaak geen geadresseerde en voor die typen eenzijdige rechtshandelingen gelden vaak andere regels dan voor einseitig-gestaltende Rechtsgeschäfte.
Alleen eenzijdige rechtshandelingen die de rechtspositie van een ander niet ongunstig kunnen beïnvloeden, kunnen voorwaardelijk verricht worden. Een Gestaltungsrecht kan bijvoorbeeld niet onder voorwaarde worden uitgeoefend. De reden hiervoor is dat de wetgever de ontvanger van een eenzijdige rechtshandeling (iemand die er wel door wordt geraakt maar er niet mee kan instemmen) niet wil belasten met de onzekerheid of de rechtshandeling uiteindelijk wel of geen werking verkrijgt. Om dezelfde reden zijn einseitig-gestaltende Rechtsgeschäfte volgens de heersende leer onherroepelijk.
Eenzijdige rechtshandelingen waarvoor toestemming moet worden verleend, zijn bij gebreke van voorafgaande toestemming nietig, zonder de mogelijkheid van bekrachtiging. Bovendien heeft de geadresseerde van de rechtshandeling de mogelijkheid tot onverwijld afwijzen van de rechtshandeling als de toestemming niet schriftelijk kan worden overlegd en de vertegenwoordiger de geadresseerde niet in kennis heeft gesteld van de gegeven toestemming.
Voor de uitleg van wilsverklaringen is de maatstaf afhankelijk van het al dan niet empfangsbedürftig zijn van de verklaring. Voor empfangsbedürftige wilsverklaringen moet rekening worden gehouden met de belangen en het perspectief van de geadresseerde. Bij uitleg van nicht empfangsbedürftigWillenserklärungen is de werkelijke bedoeling van de verklarende maatgevend, en niet het gerechtvaardigd vertrouwen van de ontvanger.
176. Het Duitse recht gaat uit van dezelfde beginselen als het Nederlandse recht en, zoals in het hoofdstuk hierna zal blijken, deels ook als het Engelse recht. In alle stelsels bestaat spanning tussen Selbstbestimmung en Fremdbestimmung – het belang van vrijheid om je eigen rechtspositie (eenzijdig) vorm te geven versus het belang van bescherming van de autonomie van anderen om niet zonder hun instemming rechten opgedrongen te krijgen.