Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:308 BW:Verjaring van de periodieke vordering
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:308 BW
Verjaring van de periodieke vordering
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 04-09-2025
Actueel t/m
04-09-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:308 BW
Art. 3:308 BW betreft de verjaring van de rechtsvordering tot voldoening van periodieke vorderingen. De opsomming van een aantal gevallen is niet limitatief bedoeld. Het moet gaan om gevallen waarin de opeisbaarheid van de betaling maximaal één jaar bedraagt. De verjaring heeft plaats ten aanzien van elke verschenen termijn afzonderlijk.
Zoals ieder beroep op verjaring, is ook een beroep op verjaring ex art. 3:308 BW een bevrijdend verweer (zie het commentaar op art. 3:306 BW). Een geslaagd beroep op verjaring doet de periodieke vordering tenietgaan. Het recht zelf gaat niet teniet; er resteert dan nog een natuurlijke verbintenis.
De schuldenaar die zich ter bevrijding van de rechtsvordering beroept op verjaring zal voldoende duidelijk moeten maken op welke verjaring hij doelt,1 en, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen die nodig zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van verjaring. De schuldenaar die zich op verjaring ex art. 3:308 BW beroept, zal moeten stellen, en waar nodig bewijzen, dat de verbintenis waarvan betaling wordt gevorderd een periodieke verbintenis betreft zoals in deze bepaling bedoeld.
De schuldeiser kan ter afwering van het beroep op verjaring de daaraan ten grondslag gelegde feiten betwisten of zich erop beroepen dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. In het eerste geval is sprake van een betwisting van de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer; daarvoor heeft de schuldeiser niet de bewijslast, ook niet voor de feiten die hij zijnerzijds aanvoert ter motivering van zijn betwisting. In het tweede geval is sprake van een bevrijdend verweer tegen het bevrijdende verjaringsverweer; de stelplicht en bewijslast van de onderbreking van de lopende verjaring door stuiting rusten op de schuldeiser (zie daarover het commentaar op art. 3:316 BW e.v.).
Aanvangsmoment verjaringstermijn
De verjaringstermijn neemt een aanvang op de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.2 Er geldt telkens, per periodieke verbintenis, een verjaringstermijn van vijf jaren. De verjaringstermijn begint telkens opnieuw bij het verschijnen van een termijn te lopen. Met betrekking tot elke termijn afzonderlijk zal moeten worden nagegaan wanneer de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen. De schuldenaar zal de dag van opeisbaarheid moeten stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, bewijzen.
Waar het in een dergelijk geval veelal zal aankomen op een uitleg van de overeenkomst, ligt het in beginsel op de weg van de schuldenaar om de feiten en omstandigheden te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen die tot de door hem beoogde uitleg ten aanzien van het moment van opeisbaarheid kunnen leiden.3
Een eensluidend standpunt van partijen over het aanvangsmoment van de verjaring heeft de rechter te respecteren, vergelijk HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:234, RvdW 2016/280.
Voor de toedeling van de stelplicht en de bewijslast bij de uitleg van overeenkomsten verwijs ik verder naar Meijer en Wattendorff, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:33 en 3:35 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:308 BW
Verjaring van de periodieke vordering
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 04-09-2025
04-09-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:308 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 308
Verjaring van de periodieke vordering
Art. 3:308 BW betreft de verjaring van de rechtsvordering tot voldoening van periodieke vorderingen. De opsomming van een aantal gevallen is niet limitatief bedoeld. Het moet gaan om gevallen waarin de opeisbaarheid van de betaling maximaal één jaar bedraagt. De verjaring heeft plaats ten aanzien van elke verschenen termijn afzonderlijk.
Zoals ieder beroep op verjaring, is ook een beroep op verjaring ex art. 3:308 BW een bevrijdend verweer (zie het commentaar op art. 3:306 BW). Een geslaagd beroep op verjaring doet de periodieke vordering tenietgaan. Het recht zelf gaat niet teniet; er resteert dan nog een natuurlijke verbintenis.
De schuldenaar die zich ter bevrijding van de rechtsvordering beroept op verjaring zal voldoende duidelijk moeten maken op welke verjaring hij doelt,1 en, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen die nodig zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van verjaring. De schuldenaar die zich op verjaring ex art. 3:308 BW beroept, zal moeten stellen, en waar nodig bewijzen, dat de verbintenis waarvan betaling wordt gevorderd een periodieke verbintenis betreft zoals in deze bepaling bedoeld.
De schuldeiser kan ter afwering van het beroep op verjaring de daaraan ten grondslag gelegde feiten betwisten of zich erop beroepen dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. In het eerste geval is sprake van een betwisting van de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer; daarvoor heeft de schuldeiser niet de bewijslast, ook niet voor de feiten die hij zijnerzijds aanvoert ter motivering van zijn betwisting. In het tweede geval is sprake van een bevrijdend verweer tegen het bevrijdende verjaringsverweer; de stelplicht en bewijslast van de onderbreking van de lopende verjaring door stuiting rusten op de schuldeiser (zie daarover het commentaar op art. 3:316 BW e.v.).
Aanvangsmoment verjaringstermijn
De verjaringstermijn neemt een aanvang op de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.2 Er geldt telkens, per periodieke verbintenis, een verjaringstermijn van vijf jaren. De verjaringstermijn begint telkens opnieuw bij het verschijnen van een termijn te lopen. Met betrekking tot elke termijn afzonderlijk zal moeten worden nagegaan wanneer de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen. De schuldenaar zal de dag van opeisbaarheid moeten stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, bewijzen.
Waar het in een dergelijk geval veelal zal aankomen op een uitleg van de overeenkomst, ligt het in beginsel op de weg van de schuldenaar om de feiten en omstandigheden te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen die tot de door hem beoogde uitleg ten aanzien van het moment van opeisbaarheid kunnen leiden.3
Voetnoten
1.
HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1943, NJ 1996/418 m.nt. Stein (Buyck/Van den Ameele).
2.
Een eensluidend standpunt van partijen over het aanvangsmoment van de verjaring heeft de rechter te respecteren, vergelijk HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:234, RvdW 2016/280.
3.
Voor de toedeling van de stelplicht en de bewijslast bij de uitleg van overeenkomsten verwijs ik verder naar Meijer en Wattendorff, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:33 en 3:35 BW.