Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/35
35 De pandhouder mag met de inning verband houdende beheersdaden verrichten
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD13604:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Buiten beschouwing laat ik de mogelijkheid dat de pandhouder bevoegd is tot herverpanding doordat hij dat met de pandgever is overeengekomen (art. 3:242 BW), alsmede de mogelijkheid dat de pandhouder als middellijk vertegenwoordiger van de pandgever bevoegd is om in eigen naam over de vordering te beschikken (vgl. art. 7:414 e.v. BW en Asser/Van der Grinten/Kortmann 2-I 2004, nr. 135-136 en Bartels 2004, par. 2.2.2).
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 772-773.
In dezelfde zin reeds de voorzitter van de Commissie van Rapporteurs, Kappeyne van de Coppello, bij de parlementaire behandeling van de voorstellen die leidden tot de regeling van het pandrecht van 1874; zie Lioni 1885, p. 250.
In dezelfde zin Heyman 1992, p. 346. Zie ook hierna hoofdstuk 12.
De pandhouder is geen rechthebbende van de verpande vordering zodat hij aan zijn pandrecht niet de bevoegdheid kan ontlenen om daarover, anders dan door een executoriale verkoop, te beschikken in goederenrechtelijke zin.1 Ook andere rechtshandelingen die de positie van de pandgever ingrijpend beïnvloeden behoren mijns inziens voorbehouden te zijn aan de pandgever. Een diepgaande beïnvloeding van de positie van de pandgever past niet bij de afgeleide aard van het pandrecht, noch bij het gegeven dat de pandhouder niet de rechthebbende van de vordering is.2
Wel moet de inningsbevoegde pandhouder met betrekking tot de vordering alle met de inning daarvan samenhangende daden van beheer kunnen verrichten.3 Hiervoor is een aantal argumenten. Allereerst is een ruime mogelijkheid tot verpanding van vorderingen zinledig als de pandhouder zich op de aan hem verpande vorderingen niet kan verhalen. De meeste gerede wijze van verhaal op een vordering door de pandhouder is dat de pandhouder de vordering int en zich uit het geïnde voldoet. Is de pandhouder inningsbevoegd, dan past daarbij dat de pandhouder ook daadwerkelijk in staat is de verpande vordering te innen zonder dat hij juridische belemmeringen ondervindt die de rechthebbende van de vordering niet zou ondervinden als hij de vordering zou innen.
Daarnaast lijkt het weinig praktisch dat de crediteur van een vordering, ook indien hij zoals een inningsbevoegde pandhouder ‘slechts’ crediteur in verbintenisrechtelijke zin en niet de rechthebbende van de vordering is, de uitoefening van bepaalde met de inning van de betreffende vordering samenhangende rechten aan de rechthebbende zou moeten overlaten.4 Een voorbeeld is het recht om nadere afspraken over de opeisbaarheid van een vordering te maken. Het is ook voor de debiteur weinig aanlokkelijk dat hij voor bepaalde op de betaling van zijn schuld betrekking hebbende kwesties met een andere partij te maken heeft dan de partij aan wie hij zijn schuld bevrijdend kan voldoen.
Daarbij komt dat er mijns inziens geen goede reden is om de op het beheer van een vordering betrekking hebbende rechten die aan een cessionaris toekomen aan een inningsbevoegde pandhouder te onthouden. Dat de inningsbevoegde pandhouder geen rechthebbende van de vordering is, is geen goede reden om hem de uitoefening van de, direct of indirect, met de inning samenhangende rechten te onthouden als die wel door de rechthebbende van een vordering kunnen worden uitgeoefend.