Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.3.6
2.3.6 Nietigheid en vernietigbaarheid van eenzijdige rechtshandelingen
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS376760:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 13 februari 2015, RvdW 2015/308 over de nietigheid van een uiterste wilsbeschikking van een geestelijk gestoorde.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 160 (VV II).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 1124 (NvW I Inv.).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 161 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 161 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 160 (MvA II). Vgl. W.E.M. Leclerq, ‘Nietigheid en vernietigbaarheid in de artikelen 3.2.1.2, 2a en 3 NBW’, WPNR 5646 (1983), p. 200; A.L. Croes, ‘Hoe onbekwaam wordt de handelingsonbekwame in Boek 3 Nieuw BW?’ Kwartaalbericht NBW 1984/1, p. 36; P. van Schilfgaarde, ‘Nietigheden in 3.2 NBW volgens de invoeringswet I’, WPNR 5621 (1982), p. 550.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/663 over de invulling van het begrip ‘onmiddellijk belanghebbende’ in art. 3:58 BW.
Schoordijk 1986, p. 174.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 1173 (MvT Inv.).
Van Dam in Hijma e.a. 2013, p. 218.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 160 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 1163 (MvA I Inv.).
Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:45 BW, aant. 69, T.J. Mellema-Kranenburg; B. Wessels, ‘Actio Pauliana en wetenschap van benadeling: drie voorstellen tot verbetering’, VrA 2007/2, p. 62. Zie echter art. 42 lid 3 Fw, op grond waarvan de vernietiging van een rechtshandeling om niet geen werking heeft ten aanzien van de bevoordeelde die niet wist of behoorde te weten dat de rechtshandeling schuldeisersbenadeling tot gevolg zou hebben, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de faillietverklaring niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaar was. Overigens meent Wessels, mijns inziens onterecht, dat artikel 42 lid 3 Fw alleen geldt voor eenzijdige overeenkomsten en niet voor eenzijdige rechtshandelingen om niet.
Vgl. Van der Weijden 2012, p. 106.
Ik ga hier in nr. 64 nader op in.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/281; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, p. 299.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 2 BW, p. 139 (TM). In Asser/ Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/ 313 pleiten de auteurs voor een stelsel waarin bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden niet als vernietigingsgrond gelden, maar waarin in die situaties een besluit op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid vernietigd zou kunnen worden, als voorzien in art. 2:15 lid 1 sub b BW jo. art. 2:8 BW. Dat boek 2 BW strijd met de redelijkheid en billijkheid aanmerkt als vernietigingsgrond is niet in overeenstemming met de bepalingen aangaande redelijkheid en billijkheid in boek 6 BW, waar een geslaagd beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ertoe leidt dat het rechtsgevolg buiten toepassing blijft.
25. Tenzij de wet anders aangeeft, zijn eenzijdige rechtshandelingen nietig danwel vernietigbaar volgens de algemene regels van titel 3.2.
Afwijkende bepalingen zijn bijvoorbeeld de hiervoor aangehaalde art. 3:32 en art. 3:34 BW, op grond waarvan ongerichte eenzijdige rechtshandelingen, verricht door een handelingsonbekwame of geestelijk gestoorde nietig zijn.1 Meerzijdige rechtshandelingen en gerichte eenzijdige rechtshandelingen zijn in dat geval vernietigbaar. Onder het oude BW werd de nietigheidssanctie ook toegepast op gerichte eenzijdige rechtshandelingen. In de parlementaire geschiedenis is de wenselijkheid van dit verschil tussen gerichte eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen aan de orde gesteld.2 Het zou bijvoorbeeld arbitrair zijn dat andere regels gelden voor de geldigheid van het aangaan van een huurovereenkomst dan voor het opzeggen ervan. Het hanteren van dezelfde sanctie voor gerichte eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen heeft tevens als voordeel dat in bepaalde gevallen de vraag kan worden vermeden of een rechtshandeling gericht eenzijdig danwel onderdeel van een meerzijdige rechtshandeling is.3 Ten slotte wordt als voordeel genoemd dat voor meerzijdige en gerichte eenzijdige rechtshandelingen geen verschil meer bestaat in de rechtsgevolgen van misbruik van omstandigheden. Dit argument gaat naar huidig recht niet meer op, nu art. 3:44 lid 1 jo. lid 4 BW geen onderscheid maakt tussen eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen.
Wanneer het gaat om het rechtsgevolg van bijvoorbeeld handelingsonbekwaamheid, lijkt het gelijkstellen van gerichte eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen in de rede te liggen. Degene tot wie de rechtshandeling is gericht, kan de geldigheidskwestie beslechten, mits hij de onbekwaamheid kent. Art. 3:55 lid 2 BW geeft hem de mogelijkheid aan de wettelijk vertegenwoordiger een redelijke termijn te stellen om te kiezen tussen bevestiging en vernietiging. Als binnen die termijn geen keuze wordt gemaakt, vervalt de vernietigingsgrond. De positie van de geadresseerde van een gerichte eenzijdige rechtshandeling verschilt echter van de positie van een wederpartij van een meerzijdige rechtshandeling. Als de handelingsonbekwame een aanbod doet tot het sluiten van een overeenkomst, kan de wederpartij verhinderen dat de overeenkomst tot stand komt door het aanbod te verwerpen.4 Degene tot wie een eenzijdige rechtshandeling is gericht, mist deze vrijheid. De parlementaire geschiedenis noemt als voorbeeld dat een handelingsonbekwame huurder gerechtvaardigd een huurovereenkomst wil opzeggen, terwijl de wettelijk vertegenwoordiger niet bereikbaar is. Doordat de opzegging, een gerichte eenzijdige rechtshandeling, niet nietig maar vernietigbaar is, is onzeker voor de verhuurder of de wettelijk vertegenwoordiger de rechtshandeling in stand zal laten of zal vernietigen. Voordat de verhuurder aan deze onzekerheid een einde kan maken via art. 3:55 lid 2 BW, heeft de vernietigbare opzegging reeds zijn werking. Als oplossing wordt aangedragen dat een derde de rechtshandeling als zaakwaarnemer voor de onbekwame verricht.5 In dat geval ontstaat geen onzekerheid voor de verhuurder, nu ofwel de wettelijk vertegenwoordiger is gebonden aan de opzegging op grond van art. 6:201 BW, ofwel de derde aansprakelijk kan worden gehouden op grond van art. 6:201 jo. 3:70 BW. Nog daargelaten dat aansprakelijkstelling van de derde wellicht niet altijd zal slagen, is dit geen echte oplossing. Het is een voorbeeld van een situatie waarin geen onzekerheid zou ontstaan, maar het biedt geen soelaas voor de gevallen waarin de onbekwame zelf handelt en onzekerheid dus wel bestaat.
Ondanks de haken en ogen is voor gerichte eenzijdige rechtshandelingen die zijn verricht door een handelingsonbekwame of geestelijk gestoorde vernietigbaarheid verkozen boven nietigheid. Rechtshandelingen als opzeggingen worden volgens de parlementaire geschiedenis in de praktijk vaak overgelaten aan handelingsonbekwamen, waarbij alle belanghebbenden er in beginsel vanuit gaan dat de rechtshandeling geldig is. Nietigheid van deze rechtshandelingen zou ongewenst zijn, omdat zelfs na geruime tijd de nietigheid zou kunnen worden ingeroepen door zowel de onbekwame als diens wederpartij, waardoor alle belanghebbenden worden gedwongen de gevolgen ongedaan te maken. Die conclusie is mijns inziens terecht. De wetgever constateert de moeilijk te trekken lijn tussen gerichte eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen. In hoofdstuk 10 blijkt dat op veel meer plaatsen gerichte eenzijdige rechtshandelingen en meerzijdige rechtshandelingen gelijk moeten worden behandeld.
26. Voor ongerichte eenzijdige rechtshandelingen van een handelingsonbekwame is omwille van de rechtszekerheid nietigheid als sanctie gehandhaafd.6 Rekening is gehouden met de positie van personen die belang hebben bij zekerheid over de geldigheid van de rechtshandeling, maar geen ‘onmiddellijk belanghebbende’ zijn in de zin van art. 3:55 lid 2 BW en dus geen termijn kunnen stellen aan de wettelijk vertegenwoordiger om te kiezen tussen vernietiging of bevestiging. De nietigheid is als sanctie behouden ten behoeve van de rechtszekerheid van degenen die buiten die kring vallen, maar wier belang wel betrokken is bij het lot van de ongerichte eenzijdige rechtshandeling. Wie ‘onmiddellijk belanghebbende’ is, hangt af van de rechtshandeling.7 Mijns inziens gaat het in het algemeen om de personen wier vermogenspositie rechtstreeks wordt beïnvloed door de instandhouding of vernietiging van de rechtshandeling. Bij vernietiging van een uiterste wilsbeschikking zijn dat bijvoorbeeld degene die door vernietiging erfgenaam zou worden en degenen die in de uiterste wilsbeschikking worden begunstigd.8 In sommige gevallen kunnen ook de schuldeisers van de nalatenschap onmiddellijk belang hebben bij vernietiging van bijvoorbeeld het aanvaarden of verwerpen van de nalatenschap.9 Daarnaast worden ook cessionarissen, andere verkrijgers onder bijzondere titel,10 beslagleggers en beperkt gerechtigden11 als onmiddellijk belanghebbende aangeduid.
Ook bij meerzijdige of gerichte eenzijdige rechtshandelingen zijn er personen die zich niet op art. 3:55 lid 2 BW kunnen beroepen. Toch is de onzekerheid voor die groep geen reden geweest voor nietigheid als sanctie. In de parlementaire geschiedenis wordt gesteld dat bij ongerichte eenzijdige rechtshandelingen doorgaans de belangen van meer personen betrokken zijn dan bij een overeenkomst.12 Als voorbeeld wordt genoemd het afstand doen van een gemeenschap of het verwerpen van een nalatenschap, beide ongerichte eenzijdige rechtshandelingen. Hierdoor worden de schuldeisers en schuldenaren geraakt van de gemeenschap of de nalatenschap, van degene die afstand doet of verwerpt, en van degene bij wie het aandeel in de gemeenschap aanwast of die na verwerping erfgenaam wordt. Deze partijen kunnen volgens de parlementaire geschiedenis ‘niet vaak’ worden aangemerkt als onmiddellijk belanghebbende. Een deel van de door de wetgever genoemde partijen is mijns inziens wel onmiddellijk belanghebbende, namelijk de schuldeisers en de schuldenaren van de gemeenschap en de nalatenschap. Daarnaast kan mijns inziens niet in het algemeen worden gezegd dat bij ongerichte eenzijdige rechtshandelingen meer betrokkenen zijn dan bij een overeenkomst. De vernietiging van een overeenkomst kan gevolgen hebben voor een keten van derdenverkrijgers, houders van beperkte rechten en partijen bij voortbouwende overeenkomsten. Wat pleit voor nietigheid van door een onbekwame verrichte ongerichte eenzijdige rechtshandeling is niet zozeer dat zij méér personen raakt, maar dat de groep van betrokkenen meer onbepaald is. Bij een tot niemand gerichte rechtshandeling is het moeilijker te voorspellen wiens belangen er (zeker indirect) door geraakt worden.
27. Een volgende vraag is hoe eenzijdige rechtshandelingen vernietigd kunnen worden. Dit geschiedt volgens de regels van titel 3.2 BW. Art. 3:56 BW bepaalt tot wie een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring gericht moet worden. Om een gerichte eenzijdige rechtshandeling te vernietigen moet de verklaring gericht zijn tot degene tot wie de rechtshandeling gericht was, zo bepaalt artikel 3:56 lid 1 BW. Voor een ongerichte eenzijdige rechtshandeling moet de verklaring gericht worden tot degenen die onmiddellijk belanghebbenden zijn bij de instandhouding van de rechtshandeling. Ook in de context van dit artikel geldt dat per rechtshandeling bezien moet worden wie aan dat criterium voldoen. Vernietigingsverklaringen zijn gerichte eenzijdige rechtshandelingen en zij krijgen dus werking als zij degenen bereikt hebben tot wie zij gericht zijn. Als bekend wordt dat een persoon onmiddellijk belanghebbende is bij een te vernietigen ongerichte eenzijdige rechtshandeling, moet aan hem een vernietigingsverklaring worden uitgebracht.13 Totdat de vernietigingsverklaring hem bereikt heeft, is de rechtshandeling ten opzichte van hem niet vernietigd en dus geldig. Tot jegens alle onmiddellijk belanghebbenden vernietigd is, zal dus de facto sprake zijn van relatieve ongeldigheid van de rechtshandeling.
28. Een specifieke regeling geldt voor het vernietigen van eenzijdige rechtshandelingen met een beroep op de actio pauliana ex art. 3:45 lid 2 BW of art. 42 lid 2 Fw. Gerichte eenzijdige rechtshandelingen kunnen op die grond vernietigd worden, indien de perso(o)n(en) jegens wie de rechtshandeling gericht is, wist(en) of behoorde(n) te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn. Bij ongerichte eenzijdige rechtshandeling geldt de eis van kennis van benadeling niet, nu zo’n rechtshandeling geen geadresseerden heeft.14 Deze eenzijdige rechtshandelingen kunnen vernietigd worden zonder dat aan een subjectief vereiste hoeft te worden voldaan. Dit kan botsen met de belangen van derden, zoals wanneer de curator een prijsgevingshandeling vernietigt terwijl een ander al de eigendom van de prijsgegeven zaak verkregen had.15
29. Een bijzondere regeling geldt voor nietigheid van een stem die wordt uitgebracht in een vennootschapsrechtelijk besluitvormingsproces. Art. 2:13 BW bepaalt in lid 1 dat een stem nietig is in de gevallen waarin een eenzijdige rechtshandeling nietig is, en dat een stem niet kan worden vernietigd. De parlementaire geschiedenis geeft als ratio dat de vraag of een stem een zelfstandige rechtshandeling is, alleen praktische betekenis heeft in de context van besluitvorming. Iemand zal slechts een beroep doen op de nietigheid van een stem, indien diegene beoogt de ongeldigheid aan te tonen van een mede op grond van die stem genomen besluit. De wetgever vermijdt de vraag of een stem een eenzijdige rechtshandeling is,16 maar verklaart de regels die gelden voor eenzijdige rechtshandelingen van overeenkomstige toepassing. Het is ongelukkig dat de wetgever niet heeft gespecificeerd of de regels voor gerichte danwel voor ongerichte eenzijdige rechtshandelingen van toepassing zijn, nu dat bij uitstek relevant is voor de vraag naar nietigheid danwel vernietigbaarheid. In de literatuur wordt gesteld dat stemuitbrenging een rechtshandeling is die gericht is tot de rechtspersoon, omdat de stem een besluit betreft dat geldt als een besluit van de rechtspersoon.17 De facto is art. 2:13 BW dan krachteloos. Op grond van art. 3:32 en art. 3:34 BW zou handelingsonbekwaamheid of een geestelijke stoornis van de stemmende leiden tot vernietigbaarheid van de stem, maar nu vernietiging is uitgesloten, heeft de handelingsonbekwaamheid of een geestelijke stoornis geen invloed op de geldigheid van de stem. Evenmin kan een stem worden vernietigd op grond van een wilsgebrek. Het besluit kan wel worden aangetast, maar onduidelijk is hoe het wilsgebrek de besluitvorming moet hebben beïnvloed. Niet uitgekristalliseerd is of voor de conclusie dat een orgaan van een rechtspersoon een besluit onder invloed van bijvoorbeeld bedrog heeft genomen, vereist is dat alle stemmen waren gemankeerd door het wilsgebrek, of de meerderheid van de stemmen, of het aantal stemmen dat doorslaggevend was voor de besluitvorming, of dat voldoende is dat één stem is uitgebracht onder invloed van bedrog. In al die scenario’s wordt het besluit toch weer ontleed in stemmen, en hangt de geldigheid van het besluit ervan af of de besluitvorming op stemniveau aantastbaar is. Het rechtstreeks kunnen vernietigen van een stem is wellicht eenvoudiger.
Mijns inziens is een besluit vernietigbaar, als het zonder het wilsgebrek niet tot stand zou zijn gekomen, dus als het aantal stemmen dat de relevante meerderheid uitmaakt, uitgebracht is onder invloed van het wilsgebrek.18