De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/6.5:6.5 Conclusie
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/6.5
6.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS385560:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Naar Duits recht is een personenvennootschap zoals gezegd geen rechtspersoon maar heeft op grond van haar Rechtsfähigkeit – net als een rechtspersoon – eigen rechten en verplichtingen en kan goederen verkrijgen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gedreven door jurisdictionele competitie en de hiermee samenhangende ambitie om het eigen vennootschapsrecht zo aantrekkelijk mogelijk te maken, zijn in de in dit hoofdstuk besproken landen (al dan niet in combinatie met een herziening van het totale ondernemingsrecht) rechtsvormen ontwikkeld, speciaal geschikt voor samenwerkende beroepsbeoefenaren. Een belangrijke aanleiding voor deze invoering was tevens de druk vanuit de beroepspraktijk zelf. Waar de Nederlandse wetgever heeft getracht het hoofd te bieden aan de bovenstaande ontwikkelingen door vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht, is de Duitse wetgever de strijd aangegaan met de Britten en Amerikanen om een rechtsvorm op maat te ontwerpen voor beroepsbeoefenaren. Dit is, in het kader van de centrale vraag van dit proefschrift, een interessante ontwikkeling.
De LLP, LLC en PartG mbB hebben allereerst (dus) met elkaar gemeen dat zij zijn ontwikkeld (door en/of) op basis van de specifieke wensen van beroepsbeoefenaren. Er bestond in alle gevallen een duidelijke roep uit de praktijk om een rechtsvorm op maat. Deze roep was bovendien in alle gevallen voornamelijk ingegeven vanuit (beroeps)aansprakelijkheidsproblematiek, die met name bestond naar aanleiding van de toename van (hoge) claims. Ook in Nederland bestaat, zoals in hoofdstuk 1 en 2 al aan de orde kwam, een dergelijke problematiek. Anders dan naar Nederlands recht brachten de traditioneel voor beroepsuitoefening geschikte rechtsvormen in de besproken landen (tot het moment van de invoering van de (variant) nieuwe rechtsvormen) echter hoofdelijke aansprakelijkheid met zich mee. Opvallend is daarnaast dat de interne structuur van de (in de besproken landen) tot dan toe door beroepsbeoefenaren gebruikte (bestaande) rechtsvormen – anders dan naar Nederlands recht – eigenlijk niet ter discussie stond. Zo speelden bijvoorbeeld goederenrechtelijke aspecten bij de invoering van de LLP, LLC en PartG mbB nauwelijks een rol. Dit komt waarschijnlijk doordat de meeste van deze rechtsvormen het karakter hebben van zowel rechtspersoon als overeenkomst (of in elk geval duidelijk is wat er onder rechtssubjectiviteit moet worden verstaan1). In zowel de VS als het VK speelde ook fiscaliteit nauwelijks tot geen rol bij de ontwikkeling van de nieuwe rechtsvormen.
De in dit hoofdstuk besproken rechtsvormen bieden alle een combinatie van beperkte(re) aansprakelijkheid, fiscale transparantie en een flexibele juridische organisatiestructuur. Een combinatie van eigenschappen die, zoals in de vorige hoofdstukken van dit proefschrift naar voren kwam, naar huidig recht bij geen van de voor beroepsuitoefening geschikte Nederlandse rechtsvormen terug te vinden is.
Hoewel de besproken rechtsvormen dus grote overeenkomsten vertonen, bestaan er ook (belangrijke) verschillen, met name ten aanzien van hun karakter. De Amerikaanse LLP is een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid, terwijl zowel de LLC als de Britse LLP een hybride rechtsvorm is met kenmerken van zowel een kapitaalvennootschap als een personenvennootschap. De kenmerken van de kapitaalvennootschap die de laatstgenoemde rechtsvormen bezitten, worden in veel gevallen direct ook als nadelen van deze rechtsvormen genoemd. Zo gelden er bijvoorbeeld openbaarmakingsverplichtingen voor de LLC en de Britse LLP.
Een ander belangrijk verschil (dat ook bestaat tussen een kapitaalvennootschap en een personenvennootschap) tussen de LLC en de LLP’s is dat de LLC met slechts één deelnemer kan bestaan, terwijl voor beide LLP’s geldt dat de samenwerkingsgedachte voorop staat en dat het samenwerkingsverband derhalve altijd twee of meer deelnemers dient te hebben.
De PartG mbB is, kort gezegd, aan te merken als een openbare maatschap met beperkte(re) aansprakelijkheid. Ze is een personenvennootschap speciaal geschikt, én uitsluitend bedoeld, voor beroepsuitoefening. Kenmerkend voor deze variant van de PartG is dat de aansprakelijkheid in geval van beroepsfouten is beperkt en dat deze beperkte aansprakelijkheid wordt gecompenseerd met een verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
Dit partial shield lijkt het voornaamste bezwaar tegen de PartG mbB, ten opzichte van de LLP en LLC. De persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten is immers ’slechts’ uitgesloten voor verbintenissen van de vennootschap vanwege beroepsfouten van de vennoten (overigens zowel in het kader van een overeenkomst van opdracht als van een onrechtmatige daad).
Voor alle andere verbintenissen van de PartG mbB, zoals uit huur- of arbeidsovereenkomsten, blijven de vennoten persoonlijk (en hoofdelijk!) aansprakelijk. De LLP lijkt hiermee – en op basis van hetgeen in dit hoofdstuk besproken is – in feite de aantrekkelijkste rechtsvorm.
Toch lijkt (mij) de Duitse keuze – de invoering van een variant op een bestaande rechtsvorm met een gedeeltelijke beperking van de aansprakelijkheid (in combinatie met een flexibele structuur en gunstige belastingheffing), voor (bovendien) slechts een specifieke groep gebruikers – ook een aantrekkelijke optie. Allereerst omdat het voor beroepsbeoefenaren die reeds samenwerken in een personenvennootschap – naar het Duitse voorbeeld – niet nodig zal zijn om een nieuwe rechtsvorm aan te gaan; zij kunnen – in tegenstelling tot wanneer naar Amerikaans of Brits voorbeeld een nieuwe rechtsvorm ingevoerd wordt – opteren voor de variant. Daarnaast is deze optie – met name ook vanwege de aansprakelijkheidsverzekering die de Duitse variant biedt – gemakkelijker te verdedigen en te rechtvaardigen (onder andere jegens crediteuren) dan een ‘volledige’ uitsluiting van aansprakelijkheid. Dit is zeker het geval zolang de personenvennootschappen – zoals naar huidig recht – niet over rechtspersoonlijkheid beschikken. Bovendien zal een variant ook sneller en gemakkelijker in te voeren zijn omdat slechts met een aanvulling op de huidige wet kan worden volstaan.
In hoofdstuk 7 zal dieper op deze thematiek worden ingegaan. De in dit hoofdstuk gegeven beschrijving van de in het buitenland speciaal voor beroepsbeoefenaren geïntroduceerde rechtsvormen, levert al met al interessante informatie op die, wat mij betreft, zonder meer een bijdrage kan leveren bij het vinden van een antwoord op de vraag die in dit onderzoek centraal staat.