Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:306 BW:Bevrijdende verjaring
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:306 BW
Bevrijdende verjaring
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 04-09-2025
Actueel t/m
04-09-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:306 BW
Art. 3:306 BW geeft de algemene verjaringstermijn weer, voor gevallen waarin de wet niet op andere wijze voorziet.
Ten aanzien van elke verjaring geldt dat die niet van rechtswege werkt en dat de rechter dit middel niet ambtshalve mag toepassen (art. 3:322 lid 1 BW). Hij mag dit ook niet doen, wanneer uit de ten processe vaststaande feiten blijkt, dat de voor verjaring gestelde vereisten aanwezig zijn. De verjaring werkt pas, als de schuldenaar daarop een beroep doet. Daarbij moet de schuldenaar voldoende duidelijk maken op welke verjaring hij doelt.1
Een beroep op verjaring is een bevrijdend verweer. Een geslaagd beroep op verjaring doet de rechtsvordering immers tenietgaan. Na verjaring van de rechtsvordering blijft een natuurlijke verbintenis over.2 De partij die zich op verjaring beroept zal, ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv, de feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen die nodig zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van verjaring.3
De schuldeiser kan ter afwering van het beroep op verjaring de daaraan ten grondslag gelegde feiten betwisten of zich erop beroepen dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. In het eerste geval is sprake van een betwisting van de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer; daarvoor heeft de schuldeiser niet de bewijslast, ook niet voor de feiten die hij zijnerzijds aanvoert ter motivering van zijn betwisting. In het tweede geval is sprake van een bevrijdend verweer tegen het bevrijdende verjaringsverweer; de stelplicht en bewijslast van de onderbreking van de lopende verjaring door stuiting rusten op de schuldeiser (zie daarover het commentaar op art. 3:316 BW e.v.).
Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
De verjaringstermijn van twintig jaar heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW) buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn.4 Met betrekking tot een rechtsvordering tot vergoeding van schade heeft de Hoge Raad overwogen dat een zodanig uitzonderlijk geval zich kan voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. Of in een dergelijk geval toepassing van de objectieve verjaringstermijn inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. In dit verband heeft de Hoge Raad zeven gezichtspunten genoemd, waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken.5
Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is een tegenweer op het verjaringsverweer. Het is aan de partij die zich erop beroept dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de daartoe benodigde feiten te stellen en zo nodig te bewijzen.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:306 BW
Bevrijdende verjaring
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 04-09-2025
04-09-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:306 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 306
Algemene verjaringstermijn
Art. 3:306 BW geeft de algemene verjaringstermijn weer, voor gevallen waarin de wet niet op andere wijze voorziet.
Ten aanzien van elke verjaring geldt dat die niet van rechtswege werkt en dat de rechter dit middel niet ambtshalve mag toepassen (art. 3:322 lid 1 BW). Hij mag dit ook niet doen, wanneer uit de ten processe vaststaande feiten blijkt, dat de voor verjaring gestelde vereisten aanwezig zijn. De verjaring werkt pas, als de schuldenaar daarop een beroep doet. Daarbij moet de schuldenaar voldoende duidelijk maken op welke verjaring hij doelt.1
Een beroep op verjaring is een bevrijdend verweer. Een geslaagd beroep op verjaring doet de rechtsvordering immers tenietgaan. Na verjaring van de rechtsvordering blijft een natuurlijke verbintenis over.2 De partij die zich op verjaring beroept zal, ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv, de feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen die nodig zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van verjaring.3
De schuldeiser kan ter afwering van het beroep op verjaring de daaraan ten grondslag gelegde feiten betwisten of zich erop beroepen dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. In het eerste geval is sprake van een betwisting van de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer; daarvoor heeft de schuldeiser niet de bewijslast, ook niet voor de feiten die hij zijnerzijds aanvoert ter motivering van zijn betwisting. In het tweede geval is sprake van een bevrijdend verweer tegen het bevrijdende verjaringsverweer; de stelplicht en bewijslast van de onderbreking van de lopende verjaring door stuiting rusten op de schuldeiser (zie daarover het commentaar op art. 3:316 BW e.v.).
Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
De verjaringstermijn van twintig jaar heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW) buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn.4 Met betrekking tot een rechtsvordering tot vergoeding van schade heeft de Hoge Raad overwogen dat een zodanig uitzonderlijk geval zich kan voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. Of in een dergelijk geval toepassing van de objectieve verjaringstermijn inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. In dit verband heeft de Hoge Raad zeven gezichtspunten genoemd, waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken.5
Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is een tegenweer op het verjaringsverweer. Het is aan de partij die zich erop beroept dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de daartoe benodigde feiten te stellen en zo nodig te bewijzen.
Voetnoten
1.
HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1943, NJ 1996/418 m.nt. Stein (Buyck/Van den Ameele).
2.
Asser/Sieburgh 6-II 2021/387 en 390.
3.
Zie in gelijke zin Koopmann, Bevrijdende Verjaring (Mon. BW nr. B14), Kluwer: Deventer 2010, p. 25.
4.
HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:649, NJ 2021/165, rov. 3.1.2.
5.
HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3138, NJ 2006/228 m.nt. Snijders, rov. 3.2.1.