Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.2:III.9.2 Kader voor oplossingen
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.2
III.9.2 Kader voor oplossingen
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS501445:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld is te vinden in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Aspiro, waarin belanghebbende zich tevergeefs beroept op een voorstel voor een richtlijn dat niet door de Raad is aangenomen: HvJ 17 maart 2016, zaak C-40/15, V-N 2016/17.19, r.o. 30 (Aspiro).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het bedenken van mogelijke oplossingen is het uitgangspunt dat zij met relatief beperkte ingrepen in de bestaande wetgeving moeten kunnen worden ingepast. De reden daarvoor is dat dit onderzoek slechts een deelterrein bestrijkt. Bij ingrijpende oplossingen neemt de kans toe dat zij buiten het onderzoeksterrein onvoorziene en onbedoelde gevolgen hebben. Zo zou het volgende een tamelijk rigoureuze aanpassing van de Btw-richtlijn zijn:
Ondernemer is in het vervolg iedere economische eenheid die zelfstandig één of meer economische activiteiten verricht. Ondernemer is ook degene die zelfstandig actief deelneemt aan de economische activiteit van een andere ondernemer.
De belastbare feiten, leveringen van goederen en diensten, zijn alleen nog aan te nemen voor zover zij een resultante van toevoegingen van waarde in de ondernemingssfeer zijn. Verstrekkingen en overdrachten van geld, rechten op geld, deelnemingen en vergelijkbare juridische ficties zijn daarom niet langer een dienst. Het als bank of effectenhandelaar – in economische zin – optreden als tussenpersoon voor aanbieders en vragers van geld respectievelijk effecten, is dat wel. Daarbij dient de werkelijk toegevoegde waarde te worden belast.
De vrijstellingen zonder recht op aftrek van voorbelasting worden afgeschaft. Alle belastingplichtigen hebben daarom volledig recht op aftrek van voorbelasting voor zover zij kosten maken voor een economische activiteit.
Recht op aftrek van voorbelasting bestaat eveneens voor zover niet-ondernemers goederen of diensten betrekken die in feite enkel in de ondernemingssfeer worden gebruikt. Bijvoorbeeld, een particuliere belegger die (in privé aangeschaft) commercieel vastgoed verhuurt, kan voor de aanschaf van het vastgoed daarom toch voorbelasting aftrekken.
Als in situaties van verbondenheid tussen ondernemingen en verbruikers onzakelijk wordt gehandeld, in het bijzonder door het overeenkomen van lage vergoedingen, vindt de belastingheffing plaats alsof zakelijk zou zijn gehandeld.
Bij een dergelijk voorstel zijn bedenkingen mogelijk vanuit het perspectief van rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en eenvoud, en politieke haalbaarheid. Economische eenheden laten prevaleren boven privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid leidt, bijvoorbeeld, misschien wel tot resultaten die beter in overeenstemming zijn met de strekking van de belasting, maar het doet afbreuk aan de rechtszekerheid (zie par. 8.2.1.3b). Verder is het belasten van de werkelijke toegevoegde waarde van banken al complex gebleken (zie par. 8.2.2.3a). Het afschaffen van alle vrijstellingen lijkt ten slotte politiek onhaalbaar, zeker op de korte en middellange termijn.
In het navolgende beperk ik mij om voormelde redenen tot oplossingen die met relatief beperkte ingrepen in de bestaande wetgeving mogelijk zijn. Daarbij is van belang dat op grond van de Btw-richtlijn enige vrijheid bestaat zaken unilateraal te realiseren in de Wet OB 1968. Dat is aantrekkelijk, omdat het bereiken van unanimiteit onder 28 EU-lidstaten voor een wijziging van de Btw-richtlijn in de praktijk moeilijk is (zie par. 1.6.5). De beperkende factor van het unanimiteitsvereiste mag echter ook weer geen reden zijn geheel te stoppen met nadenken over oplossingen die wel wijziging van de Btw-richtlijn vereisen. Die komen daarom ook aan bod. ‘Soft law’ laat ik buiten beschouwing. Adviezen van het BTW-Comité en communiqués van de Commissie zijn voorbeelden van soft law. Beide zijn niet bindend, maar geven in de praktijk mogelijk wel richting aan de interpretatie van de Btw-richtlijn en, indirect, de Wet OB 1968. Dat is vooral denkbaar als vage normen uit wetgeving nog niet of nauwelijks zijn ingekleurd in de jurisprudentie. De legitimiteit van soft law is echter niet optimaal. Bovendien hebben vage normen uit de Btw-richtlijn en Wet OB1968 in veel gevallen al behoorlijk wat invulling in de jurisprudentie gekregen, welke soft law niet ongedaan kan maken.1