Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/223:223 Discussie
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/223
223 Discussie
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 20-10-2025
- Datum
20-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD29662:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Is dit het wenselijke recht of is het wenselijk dat een financier ten behoeve van wie bij voorbaat een pandrecht is gevestigd op vorderingen met een toekomstig element, zich in geval van faillietverklaring van zijn debiteur op ruimere schaal op die vorderingen kan verhalen? Krijgt de financier die mogelijkheid dan mag worden verwacht dat hij bereid zal zijn op ruimere schaal activiteiten te financieren die pas in de toekomst revenuen opleveren. In de in de vorige paragraaf gegeven voorbeelden uit de jurisprudentie waarin vorderingen als toekomstige vorderingen werden aangemerkt, is het redelijk dat die vorderingen daadwerkelijk als zekerheid voor een financiering kunnen dienen.
Zo is het redelijk dat de financier die een investering of een activiteit financiert waarvoor de debiteur in de toekomst een uitkering van de staat tegemoet kan zien in de vorm van een subsidie of een belastingteruggave zich op die uitkering kan verhalen. De financier die een te verhuren pand financiert kan weliswaar een recht van hypotheek bedingen, maar daarmee zal het risico dat hij loopt van een waardedaling niet zijn weggenomen. Bovendien geeft zijn hypotheekrecht hem geen mogelijkheid om zich te verhalen op de huuropbrengsten, de bron waaruit naar de bedoeling van de financier en de debiteur de financiering zal worden afgelost. Het is dan ook redelijk dat de financier zich op die huuropbrengsten kan verhalen. Ook redelijk is mijns inziens dat de financier die het een vennoot mogelijk maakt om zich ‘in te kopen’ in een personenvennootschap, zich als pandhouder kan verhalen op de vordering die de vennoot terzake van de vergoeding van zijn ‘aandeel’ in de vennootschap verkrijgt op zijn medevennoten indien hij de vennootschap verlaat.
Daar staat tegenover dat het niet redelijk is dat een pandhouder zich na een faillietverklaring van de pandgever onbeperkt zou kunnen verhalen op vorderingen die tijdens het faillissement ontstaan en die als het ware niet door de financier zijn gefinancierd. Wordt bijvoorbeeld de onderneming van de gefailleerde voortgezet door diens curator en weet die curator ‘nieuwe activiteiten’ te genereren met ‘nieuwe handelsrelaties’ en ‘nieuw geld’, dan is het mijns inziens onredelijk dat op de daaruit voortvloeiende nieuwe vorderingen een pandrecht rust van de ‘oude’ financier zodat deze nog tijdens het faillissement zijn positie ziet verbeteren.