Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2025/81
81 De cedent en de cessionaris zijn eigenaar onder voorwaarde
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 08-07-2025
- Datum
08-07-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD15987:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin Zwitser 1993, p. 528-529, Scheltema 2003, par. III.4.2.3, Scheltema 2004, p. 675, Snijders 2006 en Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 220a.
Zo ook Scheltema 2003, par. III.4.2.4 en Scheltema 2004, p. 675.
Vgl. art. 5:91-93 BW.
Ook Faber 1997, p. 217-219, lijkt dit standpunt in te nemen. Hij acht het in ieder geval gewenst dat de normale leveringsvoorschriften (zoals die gelden voor een niet aan een opschortende voorwaarde onderworpen recht) op een levering van een recht onder opschortende voorwaarde van toepassing zijn.
Struycken 2007, p. 558, betwijfelt of een dergelijk recht naar geldend recht deel uitmaakt van ons (gesloten) goederenrecht.
De bezwaren van Kortmann en Zwalve gelden niet, indien men zich deze splitsing zo voorstelt, dat de rechthebbende van een recht onder ontbindende voorwaarde (de cessionaris) de eigenaar is en de rechthebbende van het ‘spiegelbeeldige’ recht onder opschortende voorwaarde (de cedent) een beperkt gerechtigde. De cedent en de cessionaris hebben beiden een goederenrechtelijk recht, maar de volle eigendom hebben zij tezamen.1
Van een splitsing van eigendom is dan mijns inziens geen sprake. ‘Afsplitsing’ van een beperkt recht van een eigendomsrecht past in het stelsel van het BW.2 Tegen goederenrechtelijke beschikking over een beperkt recht bestaan geen principiële bezwaren. Van een aantal beperkte rechten staat vast dat de overdracht daarvan of de vestiging van een beperkt recht daarop mogelijk is; vergelijk bijvoorbeeld het recht van erfpacht.3 De levering van het recht onder opschortende voorwaarde past in het wettelijk stelsel.4
Aan Kortmann moet worden toegegeven dat in deze vorm van splitsing van eigendom niet expliciet in de wet is voorzien, ook niet als men deze figuur voorstelt als een ‘afsplitsing’ van een beperkt recht.5 Zij past wel in het stelsel van de wet en is niet in strijd met ons gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten, nu in de wet wel de mogelijkheid is erkend dat roerende zaken onder opschortende voorwaarde worden overgedragen en ter uitvoering van een verbintenis tot overdracht onder opschortende voorwaarde kunnen worden geleverd.6 De verkrijger van zo een recht heeft niet de volle eigendom, maar wel een goederenrechtelijk recht. Tezamen met de vervreemder heeft hij de volle eigendom; de vervreemder is rechthebbende onder de spiegelbeeldige voorwaarde gebleven.