Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/445:445 Is de pandgever gebonden aan een door de pandhouder bereikte schikking?
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/445
445 Is de pandgever gebonden aan een door de pandhouder bereikte schikking?
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 13-02-2026
- Datum
13-02-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD46153:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 21 december 2001, JOR 2002/37 m.nt. NEDF onder JOR 2002/38, NJ 2005, 95 m.nt. S.C.J.J. Kortmann onder NJ 2005, 96 (Lunderstädt/De Kok) en HR 21 december 2001, JOR 2002/38 m.nt. NEDF en m.nt. Steef M. Bartman, NJ 2005, 96 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Sobi/Hurks II). Vgl. ook nr. 5 van de noot van Kortmann onder deze beide arresten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de pandgever zich in een procedure tussen de pandhouder en de debiteur van de vordering voegt, is geen belemmering voor een schikking tussen de pandhouder en de debiteur zonder dat de pandgever daaraan zijn medewerking verleent. Is de pandgever gebonden aan een schikking in het kader van een procedure tussen de pandhouder en de debiteur? Mijns inziens is dat niet het geval: de enkele bevoegdheid van de pandhouder om een vordering in rechte te innen is onvoldoende grondslag om de pandgever gebonden te achten aan een tijdens een zitting in een procedure tussen de pandhouder en de debiteur bereikte schikkingsovereenkomst.
Aannemelijk is dat naar geldend recht de inningsbevoegde pandhouder eveneens niet bevoegd is de pandgever eenzijdig te binden aan een minnelijke regeling met de debiteur van de vordering, als die regeling is bereikt buiten een zitting in een procedure. Rechthebbende van de vordering is de pandgever. Zonder een wettelijke grondslag, die de wet niet kent, en zonder instemming van de pandgever is de pandhouder mijns inziens niet bevoegd de pandgever eenzijdig, zonder instemming van de pandgever, te binden aan een overeenkomst over de vordering met de debiteur. Zo een bevoegdheid van de pandhouder zonder wettelijke grondslag lijkt bovendien in strijd te zijn met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.1
Het staat de pandgever en de pandhouder wel vrij overeen te komen dat de pandhouder, als vertegenwoordiger van de pandgever, bevoegd is een minnelijke regeling over de vordering te treffen met de debiteur van de vordering.
Wat de gevolgen zijn van het niet gebonden zijn van de pandgever aan een door de pandhouder getroffen schikking, blijkt uit het volgende voorbeeld. Is een schikking tussen de pandhouder en de debiteur bereikt die behelst dat de debiteur van een vordering van 100 tegen finale kwijting een bedrag van 50 betaalt aan de pandhouder, dan kan de pandhouder niet langer aanspraak maken op de resterende 50 en eindigt daardoor zijn inningsbevoegdheid voor de resterende 50. De pandgever is dan, door het eindigen van de inningsbevoegdheid van de pandhouder en doordat hij aan de schikkingsovereenkomst niet gebonden is, bevoegd betaling van de resterende 50 te vorderen.