Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.3.3.1
I.3.3.1 Belang voor het onderzoek
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS492893:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Op basis van artikel 15, lid 1, onderdelen b en c, Wet OB 1968 komt, onder meer, de belasting voor aftrek in aanmerking die een ondernemer verschuldigd is wegens het invoeren of intracommunautair verwerven van goederen.
Voor de volledigheid zij opgemerkt dat ‘onechte vrijstellingen’ worden bedoeld. ‘Echte vrijstellingen’ zijn in de systematiek van de Btw-richtlijn de vrijstellingen die recht op aftrek geven. In de systematiek van de Wet OB 1968 is het nultarief de echte vrijstelling (artikel 9, lid 2, onderdeel b, Wet OB 1968). Verder is van belang dat indien een handeling buiten Nederland geacht wordt plaats te vinden, er op basis van artikel 15, lid 2, onderdeel a,Wet OB 1968 recht op aftrek van voorbelasting bestaat als in het binnenland sprake zou zijn geweest van een belaste handeling.
Het recht op aftrek van voorbelasting moet bewerkstelligen dat (per saldo) geen omzetbelasting ‘drukt’ als een ondernemer goederen of diensten betrekt voor zijn economische activiteit. Het recht op aftrek van voorbelasting is daarom een belangrijk element in de omzetbelasting volgens het btw-stelsel. Het basisprincipe is dat een ondernemer de belasting op inkopen (voorbelasting) aftrekt van de voor zijn uitgaande prestaties verschuldigde belasting. Daardoor zou iedere ondernemer per saldo omzetbelasting verschuldigd moeten zijn over de door hem toegevoegde waarde. De som van belasting die ondernemers samen verschuldigd zijn, behoort vervolgens exact evenredig te zijn aan de prijzen die eindverbruikers voor goederen en diensten betalen (vgl. par. 2.3.3.4). Eindverbruikers behoren geen recht op aftrek van voorbelasting te hebben.
De belangrijkste voorwaarde die artikel 15, lid 1, Wet OB 1968 (artikel 168 Btw-richtlijn) aan het recht op aftrek van voorbelasting verbindt, is dat een ondernemer ingekochte goederen en diensten voor belaste handelingen gebruikt.1 Dat zijn door een als zodanig handelende ondernemer tegen vergoeding verrichte leveringen van goederen en diensten (prestaties) waarvoor geen vrijstelling geldt.2 In het navolgende wordt ingegaan op de interpretatie van deze voorwaarde. Verder passeren enige capita selecta over het recht op aftrek van voorbelasting de revue. Op dit alles wordt in Deel II van dit onderzoek geregeld teruggegrepen.