Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:10 BW:Bijdrageplicht
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:10 BW
Bijdrageplicht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. R.J.B. Boonekamp en mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 04-09-2025
Actueel t/m
04-09-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. R.J.B. Boonekamp en mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:10 BW
Maatstaf onderlinge bijdrageplicht en regres (lid 1 en 2)
In art. 6:10 BW is de onderlinge bijdrageplicht van hoofdelijke schuldenaren geregeld. De hoofdelijke schuldenaar die aan de schuldeiser meer heeft betaald dan hem in de onderlinge verhouding van de schuldenaren aangaat, kan met een regresvordering van ieder van de overige schuldenaren betaling verlangen van het deel van dat meerdere dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat. Die bijdrageplicht veronderstelt dat sprake is
i.
van een hoofdelijke verbintenis die
ii.
door de regresnemende schuldenaar is gedelgd voor meer dan hem aangaat.
De regresvordering ontstaat pas door en op het moment van die delging.1 Aangezien de schuldenaar die regres wil nemen op een of meer van de medeschuldenaren de rechtsgevolgen van art. 6:10 BW inroept, te weten een bijdrageplicht van de medeschuldenaren, rusten op hem de stelplicht en de bewijslast van de benodigde feiten. Hij zal dus in de eerste plaats feiten moeten stellen en bij betwisting bewijzen waaruit volgt dat sprake is van een schuld waarvoor hij en degene(n) op wie hij regres wil nemen hoofdelijk zijn verbonden. Omdat het voldoen aan een bestaande schuld een voorwaarde is voor een regresvordering2, zal de schuldenaar die regres wil nemen feiten moeten stellen en bij betwisting bewijzen waaruit het bestaan van de schuld volgt. Voorts zal moeten komen vast te staan dat de schuldenaren hoofdelijk voor de schuld zijn verbonden. Voor de inhoud en de omvang van de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de hoofdelijkheid, zie men Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:6 BW.
In de tweede plaats zal de schuldenaar die regres neemt feiten moeten stellen en zo nodig moeten bewijzen waaruit blijkt dat dat hij de schuld van de schuldeiser heeft gedelgd voor meer dan hem in de onderlinge verhouding aangaat. Delging kan op vele manieren plaatsvinden, zoals door betaling, verrekening en inbetalinggeving. Welke feiten moeten worden gesteld, hangt af van de wijze van delging. In principe zal de schuldenaar die regres neemt ook moeten stellen en zo nodig bewijzen tot welk bedrag hij de schuld heeft gedelgd. Ten aanzien van de inbetalinggeving is in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt:
āIn het geval van inbetalinggeving brengt een redelijke bewijslastverdeling intussen mede dat de schuldenaar die een prestatie in betaling heeft gegeven, voorshands ermee kan volstaan te stellen en te bewijzen dat zijn medeschuldenaren bevrijd zijn, en deswege kan vorderen dat zij hun aandeel in de waarde van de oorspronkelijk toegezegde prestatie betalen, waarna het dan aan de medeschuldenaren is, te bewijzen dat de waarde van de in betaling gegeven prestatie geringer is dan die van de oorspronkelijk toegezegde.ā3
In lid 3 is bepaald dat de medeschuldenaren ook moeten bijdragen in door de hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte kosten naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat. De regresnemende schuldenaar zal op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de door hem gevorderde kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Uitgezonderd zijn de kosten die de schuldenaar persoonlijk betreffen. Uit de tenzij-formulering aan het slot van lid 3 valt af te leiden dat het op de weg van de aangesprokene ligt te stellen en te bewijzen dat de gevorderde kosten of een gedeelte daarvan de regresnemende schuldenaar persoonlijk betreffen.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:10 BW
Bijdrageplicht
mr. R.J.B. Boonekamp en mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 04-09-2025
04-09-2025
01-01-1992 tot: -
mr. R.J.B. Boonekamp en mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:10 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 10
Maatstaf onderlinge bijdrageplicht en regres (lid 1 en 2)
In art. 6:10 BW is de onderlinge bijdrageplicht van hoofdelijke schuldenaren geregeld. De hoofdelijke schuldenaar die aan de schuldeiser meer heeft betaald dan hem in de onderlinge verhouding van de schuldenaren aangaat, kan met een regresvordering van ieder van de overige schuldenaren betaling verlangen van het deel van dat meerdere dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat. Die bijdrageplicht veronderstelt dat sprake is
van een hoofdelijke verbintenis die
door de regresnemende schuldenaar is gedelgd voor meer dan hem aangaat.
De regresvordering ontstaat pas door en op het moment van die delging.1 Aangezien de schuldenaar die regres wil nemen op een of meer van de medeschuldenaren de rechtsgevolgen van art. 6:10 BW inroept, te weten een bijdrageplicht van de medeschuldenaren, rusten op hem de stelplicht en de bewijslast van de benodigde feiten. Hij zal dus in de eerste plaats feiten moeten stellen en bij betwisting bewijzen waaruit volgt dat sprake is van een schuld waarvoor hij en degene(n) op wie hij regres wil nemen hoofdelijk zijn verbonden. Omdat het voldoen aan een bestaande schuld een voorwaarde is voor een regresvordering2, zal de schuldenaar die regres wil nemen feiten moeten stellen en bij betwisting bewijzen waaruit het bestaan van de schuld volgt. Voorts zal moeten komen vast te staan dat de schuldenaren hoofdelijk voor de schuld zijn verbonden. Voor de inhoud en de omvang van de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de hoofdelijkheid, zie men Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:6 BW.
In de tweede plaats zal de schuldenaar die regres neemt feiten moeten stellen en zo nodig moeten bewijzen waaruit blijkt dat dat hij de schuld van de schuldeiser heeft gedelgd voor meer dan hem in de onderlinge verhouding aangaat. Delging kan op vele manieren plaatsvinden, zoals door betaling, verrekening en inbetalinggeving. Welke feiten moeten worden gesteld, hangt af van de wijze van delging. In principe zal de schuldenaar die regres neemt ook moeten stellen en zo nodig bewijzen tot welk bedrag hij de schuld heeft gedelgd. Ten aanzien van de inbetalinggeving is in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt:
āIn het geval van inbetalinggeving brengt een redelijke bewijslastverdeling intussen mede dat de schuldenaar die een prestatie in betaling heeft gegeven, voorshands ermee kan volstaan te stellen en te bewijzen dat zijn medeschuldenaren bevrijd zijn, en deswege kan vorderen dat zij hun aandeel in de waarde van de oorspronkelijk toegezegde prestatie betalen, waarna het dan aan de medeschuldenaren is, te bewijzen dat de waarde van de in betaling gegeven prestatie geringer is dan die van de oorspronkelijk toegezegde.ā3
Voorts ligt het op de weg van de regresnemende schuldenaar te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de schuld voor mƩƩr heeft gedelgd dan hem in de onderlinge verhouding van de hoofdelijke schuldenaren aangaat. Pas indien hij voor meer heeft gedelgd dan hem aangaat, ontstaat voor dat meerdere een regresvordering. Uit art. 6:10 lid 2 BW blijkt dat de verplichting van de medeschuldenaren beperkt is tot bijdragen in dat meerdere en dat het plafond van de bijdrageverplichting van de medeschuldenaar bepaald wordt door het gedeelte van de schuld dat hem in de onderlinge verhouding aangaat. De bepaling van het gedeelte van de schuld dat de diverse medeschuldenaren in hun onderlinge verhouding aangaat, is dus in tweeƫrlei opzicht van belang. Aangezien de regresnemende schuldenaar de rechtsgevolgen van art. 6:10 lid 1 en 2 BW, te weten het ontstaan van een bijdrageverplichting, inroept, rusten de stelplicht en de bewijslast in dit opzicht op hem. Voor de bepaling van het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaren in hun onderlinge verhouding aangaat, is niet een eenvormige maatstaf. Het zal afhangen van de rechtsverhouding tussen de partijen. Soms geeft de wet een maatstaf, zoals in art. 6:102, 6:166 en 6:170 BW. Soms zal een overeenkomst tussen de partijen uitsluitsel bieden. Voor zover het antwoord afhangt van bepaalde feiten, ligt het in beginsel op de weg van de regresnemende schuldenaar de benodigde feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt welk gedeelte wie aangaat.4
Bijdragen in kosten (lid 3)
In lid 3 is bepaald dat de medeschuldenaren ook moeten bijdragen in door de hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte kosten naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat. De regresnemende schuldenaar zal op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de door hem gevorderde kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Uitgezonderd zijn de kosten die de schuldenaar persoonlijk betreffen. Uit de tenzij-formulering aan het slot van lid 3 valt af te leiden dat het op de weg van de aangesprokene ligt te stellen en te bewijzen dat de gevorderde kosten of een gedeelte daarvan de regresnemende schuldenaar persoonlijk betreffen.
Voetnoten
1.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196 m.nt. Du Perron. Asser/Sieburgh 6-I 2024/128.
2.
Een betaling die onverschuldigd is, doet geen regresrecht ontstaan. Zie: Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 110 en Asser/Sieburgh 6-I 2024/127.
3.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 109.
4.
Zie ook: HR 4 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6769, NJ 2016/197 m.nt. Du Perron, r.ov. 3.5, slot, waarin de cassatieklacht werd verworpen tegen het oordeel van het hof dat de regresnemende curator onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld die meebrengen dat de aangesproken medeschuldenaar mƩƩr moet bijdragen dan hij reeds heeft betaald.