Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/217:217 In den beginne: geen overdracht van toekomstige vorderingen
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/217
217 In den beginne: geen overdracht van toekomstige vorderingen
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD29653:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 december 1933, NJ 1934, 343 e.v. m.nt. PS.
HR 15 maart 1940, NJ 1940, 848 m.nt. EMM (De Boer/Haskerveenpolder).
Aldus annotator P. Scholten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het vóór 1992 geldende recht besliste de Hoge Raad, in het arrest Fijn van Draat/De Nederlanden,1 aanvankelijk dat uitsluitend bestaande vorderingen voor overdracht vatbaar waren. De Hoge Raad overwoog dat eigendomsovergang van een vordering slechts denkbaar, en daardoor slechts mogelijk is, als deze bestaat. In hetzelfde arrest besliste de Hoge Raad echter dat een vordering ontstaat op het moment dat er een rechtsverhouding tussen de schuldeiser en de schuldenaar is waarin de vordering haar onmiddellijke grondslag vindt. Dit is een betrekkelijk ruim criterium. Gevolg van dit ruime criterium was bijvoorbeeld dat al de uit een huurovereenkomst voortvloeiende huurvorderingen ontstonden op het moment waarop de overeenkomst werd gesloten. Als gevolg hiervan konden al de uit een huurovereenkomst voortvloeiende vorderingen, inclusief de nog te verschijnen vorderingen, vanaf het ontstaan van de huurovereenkomst worden overgedragen.2 Met dit ruime criterium beoogde de Hoge Raad wellicht tegemoet te komen aan de reeds toen vrij breed gedeelde wens om vorderingen die een toekomstig element in zich hebben op ruime schaal te kunnen overdragen.
Een nadeel van het in Fijn van Draat/De Nederlanden door de Hoge Raad geformuleerde criterium is dat het gekunsteld is. Immers: hoe kan een vordering bestaan, indien de schuldeiser nog niet daadwerkelijk iets te vorderen heeft?3 Een ander nadeel van het criterium is dat het enigszins vaag is.