Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/2.5.6
2.5.6 Verzet
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379224:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:316 lid 2 BW. Andere bepalingen inzake verzet zijn art 2:182 lid 3 BW (verzet tegen omzetting van een BV in een vereniging, stichting, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij); art. 2:404 lid 5 BW (verzet tegen de beëindiging van overblijvende aansprakelijkheid na intrekking van een 403-verklaring); art. 2:22a BW (verzet tegen een beschikking waarbij de rechter aandeelhouders hun bevoegdheid ontzegt om aandelen te vervreemden, verpanden of met vruchtgebruik te belasten in een procedure waarin het OM verzoekt tot ontbinding van een rechtspersoon); art. 2:46 BW (verzet tegen instellen van nakomings- of schadevergoedingsactie door vereniging ten behoeve van een lid); art. 6:256 BW (verzet tegen instellen van nakomingsactie van een derdenbeding door degene die het beding gemaakt heeft); art. 3:193 BW (verzet door schuldeiser tegen verdeling van de gemeenschap); art. 4:218 lid 3 BW (verzet tegen de rekening en verantwoording of tegen de uitdelingslijst neergelegd door de vereffenaar van een nalatenschap); art. 126 Fw (verzet failliet tegen toelating vordering of tegen erkenning van beweerde voorrang); art. 184 Fw (verzet schuldeiser tegen uitdelingslijst); art. 209 Fw (verzet schuldeiser tegen rehabilitatieverzoek schuldenaar).
Dit geldt voor art. 2:100 lid 3 BW, 2:22a BW, 2:316 lid 2 BW, 2:404 lid 5 BW, art. 4:218 lid 3 BW en art. 184 Fw.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 963 (TM). Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:256 BW, aant. 1, J.C. van der Steur; Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:46 BW, aant. 3, C.H.C. Overes.
Kleijn 1969, p. 221; Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:193 BW, aant. 8, H.H. Lammers.
87. Verzet is geen vastomlijnd juridisch begrip. Het burgerlijk procesrecht kent een regeling voor verzet in art. 143 e.v. Rv, dat een remedie geeft aan een bij verstek veroordeelde gedaagde.1 Ook het BW kent het middel van verzet. De bevoegdheid tot het instellen van verzet wordt bijvoorbeeld toegekend aan schuldeisers van een vennootschap tegen ingrijpende besluiten die hun belang kunnen schaden, zoals een besluit tot kapitaalvermindering,2 tot fusie of splitsing.3 De kwalificatie en de rechtsgevolgen van de verschillende gevallen van verzet zijn als volgt in te delen:
Een aantal van deze verzetsbepalingen in het BW bevat een soort privaatrechtelijke bezwaarregeling, waarbij de partij waaraan de mogelijkheid tot verzet is toegekend een verzoekschrift bij de rechter indient.4
Verzet van de failliet tegen toelating van een vordering of tegen erkenning van de beweerde voorrang op grond van art. 126 Fw wordt aangetekend in het proces-verbaal. Partijen worden niet verwezen naar de rechtbank en het verzet staat niet in de weg aan erkenning van de vordering in het faillissement.
Verzet als bedoeld in art. 2:46 BW en art. 6:256 BW ziet erop dat een vereniging of degene die een derdenbeding heeft gemaakt slechts nakoming kan vorderen van de voor het lid of de begunstigde bedongen rechten, voor zover het lid of de begunstigde zich daar in kan vinden. Als het lid of de begunstigde zich niet verzet, bestaat samenloop tussen de vordering van het lid of de begunstigde enerzijds en de vordering van de vereniging of de steller van het derdenbeding anderzijds. Verzet het lid of de begunstigde zich, dan prevaleert hun vordering.5
Op grond van art. 3:193 lid 3 BW kunnen schuldeisers na ontbinding van een maatschap of vennootschap in verzet komen tegen verdeling van een gemeenschap. Het rechtsgevolg van dit verzet is dat een nadien tot stand gekomen verdeling vernietigbaar is.6 De vernietigingsgrond kan alleen worden ingeroepen door de schuldeiser die zich heeft verzet, hij kan de verdeling slechts te zijnen behoeve vernietigen en de vernietiging gaat niet verder dan nodig is tot opheffing van het door hem ondervonden nadeel.
88. Mijns inziens is alleen het laatste voorbeeld van verzet een eenzijdige rechtshandeling. De categorieën a.-c. zijn processuele handelingen, waarbij in de gevallen van categorie a rechterlijke tussenkomst vereist is voor het intreden van een eventueel rechtsgevolg. De verklaring van verzet als bedoeld in art. 3:193 lid 3 BW kan wel worden gekwalificeerd als een wilsverklaring die leidt tot het beoogde rechtsgevolg (het ontstaan van een vernietigingsgrond) zonder dat een andere partij haar hoeft te aanvaarden. De verklaring moet worden gericht tot de gezamenlijke deelgenoten.7