Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/170
170 De in de akte aangeduide vordering als voorwerp van de vestigingshandeling
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 24-09-2025
- Datum
24-09-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD24979:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 3:84 lid 1 jo. 3:98 BW, Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 206-207 en HR 29 juni 2001, JOR 2001/220, NJ 2001, 662 m.nt. WMK (Meijs q.q./Bank of Tokyo).
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 208-209.
Vgl. HR 21 mei 1999, JOR 1999/167 m.nt. C.H. Sieburgh en m.nt. J.J. van Hees, NJ 1999, 733 m.nt. JH en HR 29 juni 2001, JOR 2001/220, NJ 2001, 662 m.nt. WMK (Meijs q.q./Bank of Tokyo).
Vgl. HR 21 mei 1999, JOR 1999/167 m.nt. C.H. Sieburgh en m.nt. J.J. van Hees, NJ 1999, 733 m.nt. JH en HR 20 september 2002, JOR 2002/211 m.nt. NEDF, NJ 2004, 182 m.nt. WMK (Mulder q.q./Rabobank).
Afgezien van de overige aan een geldige vestiging van een pandrecht gestelde vereisten zijn er drie vereisten aan de hand waarvan moet worden vastgesteld of een specifieke vordering verpand is. Naast het vereiste van voldoende bepaaldheid, zoals uitgewerkt in de vorige paragrafen, gelden de vereisten dat de titel de verpanding van deze specifieke vordering rechtvaardigt en dat de pandakte, als onderdeel van de vestigingshandeling, ziet op die specifieke vordering.
Zoals gezegd in paragraaf 7.2, is voor beantwoording van de vraag of de titel ziet op de verpanding van een specifieke vordering, of de titel de verpanding van deze vordering rechtvaardigt, uitleg van die titel volgens de Haviltex-norm noodzakelijk én voldoende. Andere vereisten stelt het geldende recht niet en andere vereisten zijn ook niet wenselijk.
Bij de beantwoording van de vraag of een vordering het voorwerp is van een vestigingshandeling speelt in ieder geval de omschrijving van de vordering in de pandakte een rol. Er zijn drie redenen waarom de omschrijving van de vordering in de pandakte een rol speelt.
De eerste reden is dat voor de vestiging van een beperkt recht naast een geldige titel en beschikkingsbevoegdheid van de persoon die het recht vestigt, een vestigingshandeling vereist is. Die vestigingshandeling komt overeen met de levering die vereist is voor de overdracht van een goed. De tweede reden is dat die vestigingshandeling een overeenkomst vergt die strekt tot daadwerkelijke vestiging van het beperkt recht, een overeenkomst die niet de titel vormt, maar die gericht is op het goederenrechtelijke gevolg. Zo een overeenkomst wordt daarom ook wel een goederenrechtelijke overeenkomst genoemd.1 De derde reden is dat de wet voor de vestiging van een pandrecht op een vordering een akte dwingend voorschrijft en die akte aldus tot (onderdeel van)2 de vestigingshandeling maakt.3
Dit aktevereiste impliceert dat een vordering uitsluitend kan worden verpand indien er een pandakte is die déze vordering tot voorwerp van de vestiging van een pandrecht maakt. Aan dit vereiste is voldaan als de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf en eventueel in verband en in samenhang met andere akten of feiten, kan worden vastgesteld dat de akte strekt tot verpanding van die vordering. De aldus door de pandgever afgelegde verklaring vormt na aanvaarding daarvan door de pandhouder de goederenrechtelijke overeenkomst. De aanvaarding door de pandhouder hoeft niet in de akte te zijn opgenomen. De wet vereist geen tussen partijen opgemaakte akte. De aanvaarding door de pandhouder is dan ook vormvrij.4
Uit het bovenstaande volgt dat voor een geldige vestigingshandeling een pandakte noodzakelijk is waaruit, aan de hand van de omschrijving van de te verpanden vordering(en), kan worden afgeleid dat deze strekt tot verpanding van de vordering(en).5 Of een vordering, gelet op de omschrijving van de te verpanden vorderingen in een pandakte, voorwerp van de vestigingshandeling is, is een vraag van uitleg. Over de bij die uitleg te hanteren maatstaven handelt de volgende paragraaf. Reeds nu zij opgemerkt dat die uitleg een feitelijke kwestie is die, als de feitenrechter de juiste maatstaf heeft gehanteerd, in cassatie niet kan worden getoetst.6