Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.13.2.2.2
III.13.2.2.2 De intrekkingsbepalingen
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382557:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Sinds 1 april 2013 krijgt deze verliesgrond betekenis, omdat deze grond op 1 april 2003 in werking is getreden. Zie hierover meer uitgebreid Guit 2012 en De Groot 2014.
Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de verzwijging van een eerder gesloten huwelijk (zie ABRvS 27 februari 2008, JV 2008, 144, ABRvS 8 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009: BJ1904, ABRvS 17 maart 2010, JB 2010/112 m.nt. Sillen) en ABRvS 19 oktober 2011, JV 2011/502 of verzwijging van eerder begane misdrijven (zie ABRvS 9 april 2008, JN 2008/012).
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: HRWN) art. 14 lid 1, paragraaf 2.
Art. 14 lid 1, par 2.2 HRWN. In de tekst van art. 14 lid 1 RWN wordt over ‘een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring’.
Art. 14 lid 1, paragraaf 2.2 HRWN.
Art. 14 lid 1, paragraaf 2.2 HRWN en Kamerstukken II 1998/99, 25891, nr. 5, p. 23. Zie bijvoorbeeld ABRvS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1575.
Afgekort als HRWN.
Art. 14 lid 1, paragraaf 2.2 HRWN.
Art. 14 lid 1, paragraaf 2.2 HRWN.
Artt. 66 e.v. BVVN. Op grond van art. 69 BVVN geldt dat binnen 16 weken na het doen van mededeling als bedoeld in art. 66 BVVN een beslissing moet worden genomen. Dit is geen fatale termijn, in die zin dat niet meer tot intrekking mag worden besloten indien de termijn is verstreken. Vgl. ABRvS 11 december 2013, JV 2014/66.
Art. 68 BVVN.
Art. 14 lid 1, paragraaf 2.3 HRWN.
ABRvS 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9947.
Art. 14 lid 1 RWN. Deze termijn vangt aan op het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De verjaringstermijn in het strafrecht bedraagt ook 12 jaar, zij het dat deze termijn aanvangt op het moment waarop de valsheid is gepleegd (art. 71 onder °2 WvSr).
HR 11 november 2005, AB 2006/205 m.nt. Ortlep, JV 2006/2 m.nt. De Groot, NJ 2006/ 149, AA 2007, p. 66 e.v. m.nt. Damen en JOL 2005/306. Bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat het naturalisatiebesluit, ondanks de onjuiste gegevens de betrokkene toch voldoende identificeert en mitsdien is gericht op rechtsgevolg. Zie r.o. 3.3 van voornoemd arrest. Zie voorts ABRvS 8 juli 2009, AB 2009/392 m.nt. Ortlep.
Vgl. Ortlep in zijn noot in AB 2006/335.
Voor naturalisatiebesluiten van voor 1 april 2003 geldt nog steeds dat indien in dat besluit valse persoonsgegevens zijn opgenomen, het betrokkene niet identificeert en aldus rechtsgevolg ontbeert. Zie HR 30 juni 2006, AB 2006/335 m.nt. Ortlep, NJ 2007/551 m.nt. De Groot, JV 2006/314 m.nt. Jesserun d’Oliveira en JB 2006/242. In dit arrest wordt voorts overwogen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als er zodanige duidelijkheid bestaat over de werkelijke identiteit van betrokkene dat niet kan worden gezegd dat de onjuistheid van de persoonsgegevens het onderzoek van de bevoegde instantie heeft verhinderd. De Groot uit kritiek op het onderscheid dat bestaat tussen identiteitsfraude en andere vormen van fraude in de zin van art. 14 lid 1 RWN. Zie De Groot 2008, p. 28 e.v. Op grond van art. 14 lid 1 RWN kan namelijk ook tot intrekking worden overgegaan indien de fraude is gepleegd voor 1 april 2003. Vgl. ABRvS 4 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK1988 en art. 14 lid 1, paragraaf 1 HRWN. Bij identiteitsfraude gepleegd voor 1 april 2003 kan dat niet, nu, zie hiervoor, een naturalisatiebesluit in dat geval geen rechtsgevolg heeft.
Een en ander vormt een uitzondering op hetgeen is bepaald in art. 2 lid 1 RWN, waarin is bepaald dat verlies van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft, tenzij de wet anders bepaalt.
Vgl. de tekst van art. 14 lid 6 RWN: ‘Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.’
Art. 14 lid 1, paragraaf 2.3 HRWN.
Bij intrekking op deze grond is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen (van rechtswege, optie of naturalisatie). Art. 14 lid 2, paragraaf 2 HRWN.
Kamerstukken II 2013/14, 34016, nr. 2. Zie hierover De Groot en Vonk 2013. Voor de volledigheid wordt gewezen op een voorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van de Nederlandse nationaliteit in het belang van de nationale veiligheid. Intrekking wordt op grond van dit voorstel kort gezegd mogelijk in geval van deelname aan een terroristische organisatie zonder dat diegene daarvoor onherroepelijk is veroordeeld. Zie hierover http://www.rijksoverheid. nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/12/18/wetsvoorstel-wijzigingvan- de-rijkswet-op-het-nederlanderschap-in-verband-met-het-intrekken-van-hetnederlanderschap- in-het-belang-van-de-nationale-veiligheid.html.
Dit artikel luidt als volgt: ‘Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.’
Art. 14 lid 2, paragraaf 2 HRWN.
Art. 14 lid 3 RWN. Daarvan kan worden afgeweken, indien sinds het verlies van de Nederlandse nationaliteit 5 jaar is verstreken.
Ar5 15 lid 1 sub d (ingeval van naturalisatie) en sub f (ingeval van optie). Wanneer de betrokkene aantoonbaar voornemens is om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, maar dit nog niet is gerealiseerd, dient dat bij de beslissing omtrent intrekking te worden meegenomen. Zie ABRvS 25 augustus 2004, JV 2004/S421 m.nt. De Groot onder nr. 403. Ook de financiële onmogelijkheid om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen is geen reden om af te zien van intrekking. Zie ABRvS 25 augustus 2004, JV 2004/ 404 m.nt. De Groot onder nr. 403.
Kamerstukken II 1981, 16947, nr. 3, p. 19.
ABRvS 4 april 2007, JV 2007/235.
Art. 15 lid 1 onder d en onder f HRWN.
De regeling inzake de intrekking van het Nederlanderschap zijn neergelegd in de artikelen 14 en 15 RWN. In art. 14 RWN is een tweetal gronden voor intrekking neergelegd. Op grond van het eerste lid van deze bepaling kan intrekking plaatsvinden indien, kort gezegd, fraude is gepleegd bij verkrijging van het Nederlanderschap. Het tweede lid voorziet in een bevoegdheid tot intrekking voor gevallen waarin betrokkene onherroepelijk is veroordeeld voor diverse misdrijven. Op grond van art. 15 lid 1 aanhef en onder d en f RWN kan het Nederlanderschap voorts worden ingetrokken, indien betrokkene niet al het mogelijke heeft gedaan om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
De overige in art. 15 lid 1 RWN neergelegde gronden zijn zogenaamde ‘verliesgronden’, waarbij het Nederlanderschap, zoals hiervoor reeds is aangegeven, van rechtswege verloren gaat. Het betreft een viertal gronden, te weten het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit (sub a), het afleggen van een verklaring van afstand (sub b), het gedurende een periode van 10 jaar of langer verblijven buiten het Koninkrijk, buiten de landen die partij zijn bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (sub c)1 en tot slot het zich vrijwillig in een vreemde krijgsdienst begeven van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is (sub e).
In het navolgende wordt slechts ingegaan op de bevoegdheid tot intrekking. Het verlies van rechtswege blijft buiten beschouwing.
Intrekking op grond van art. 14 lid 1 RWN
Op grond van art. 14 lid 1 RWN kan de beschikking tot verkrijging of verlening van het Nederlanderschap worden ingetrokken indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit.2
Bij ‘het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit’ gaat het om het verzwijgen van feiten waarvan de betrokkene weet, dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat zij van belang zijn in het kader van de beoordeling van de optieverklaring of het naturalisatieverzoek.3 Wat betreft het verstrekken van onjuiste informatie kan het gaan om informatie die door betrokkene zelf of zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde is verstrekt.4 Voorts is van belang dat alleen tot intrekking wordt overgegaan ingeval van een valse verklaring, bedrog of verzwijging van relevante feiten. In andere gevallen van verstrekken van onjuiste informatie, bijvoorbeeld een lichte mate van onzorgvuldigheid aan de zijde van de betrokkene, blijft intrekking achterwege.5 Tot slot is van belang dat intrekking plaatsvindt, indien blijkt dat de betrokkene niet voor het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen, indien juiste en volledige informatie was verstrekt. Er moet dus sprake zijn van causaal verband tussen het verstrekken van de onjuiste of onvolledige informatie en het ten onrechte verlenen van het Nederlanderschap.6
Wanneer fraude wordt geconstateerd, geldt op grond van de Handleiding bij de Rijkswet op het Nederlanderschap7 als uitgangspunt dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken.8 Van intrekking kan worden afgezien indien daar na afweging van alle betrokken belangen aanleiding toe bestaat.9 Voorafgaand aan een eventuele intrekkingsbeslissing, wordt in dat kader de zogenaamde voornemenprocedure gevolgd, waarin bedenkingen naar voren kunnen worden gebracht.10 In de belangenafweging wordt onder meer gekeken naar de aard en ernst van het bedrog, de valse verklaring of verzwijging en de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen.11 Wanneer de verkrijging of verlening recent heeft plaatsgevonden, bestaat minder reden om intrekking achterwege te laten dan wanneer sinds verkrijging of verlening langere tijd is geleden.12 Niet van belang is in dit kader of betrokkene al dan niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Daar dient immers de vreemdelingrechtelijke procedure voor.13
Indien sinds de verlening of verkrijging 12 jaar is verstreken, blijft intrekking achterwege.14
Ingeval van identiteitsfraude is sprake van een bijzondere situatie. Er is dan immers sprake van een besluit tot verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, gericht tot een ander persoon dan de persoon die in het besluit is genoemd. Met andere woorden: het besluit identificeert de betrokkene niet, omdat de persoonsgegevens in dat besluit niet overeen komen met de werkelijke identiteit van de betrokkene. Op grond van het recht zoals dat gold voor 1 april 2003 (toen nog niet een bepaling als het huidige art. 14 lid 1 RWN bestond) had een besluit tot verkrijging of verlening van het Nederlanderschap om die reden geen rechtsgevolg.15 Het besluit was dus nietig.16 Naar huidig recht valt identiteitsfraude onder de reikwijdte van art. 14 lid 1 RWN. Dat leidt ertoe dat een naturalisatiebesluit tot verkrijging of verlening van het Nederlanderschap gedateerd van na 1 april 2003 wordt geacht gericht te zijn op rechtsgevolg. De geadresseerde van het naturalisatiebesluit heeft aldus de Nederlandse nationaliteit verkregen. Het Nederlanderschap kan daarom bij constatering van identiteitsfraude worden ingetrokken op grond van art. 14 lid 1 RWN.17
Op grond van art. 14 lid 1 RWN werkt de intrekking op deze grond terug tot het moment van verlening of verkrijging van het Nederlanderschap.18 Als hoofdregel geldt op grond van art. 14 lid 6 RWN dat verlies van het Nederlanderschap niet tot gevolg heeft dat iemand staatloos wordt. Wanneer iemand dus, naast de Nederlandse nationaliteit, niet beschikt over een andere nationaliteit, kan de Nederlandse nationaliteit niet worden ingetrokken. Voor wat betreft de intrekking op grond van art. 14 lid 1 RWN geldt hierop een uitzondering.19 Eventuele staatloosheid is wel een element dat wordt meegenomen in de belangenafweging.20
Intrekking op grond van art. 14 lid 2 RWN
Intrekking is voorts mogelijk indien de betrokken persoon onherroepelijk is veroordeeld wegens een van de misdrijven genoemd in het tweede lid van art. 14 RWN.21
Het betreft achtereenvolgens misdrijven omschreven in titels I t/m IV WvSr en waarop een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld (sub a), de misdrijven omschreven in art. 83 of art. 205 WvSr (sub b), soortgelijke misdrijven als bedoeld in sub a waarop een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld, dan wel misdrijven soortgelijk als bedoeld in sub b (sub c) of misdrijven omschreven in de artikelen 6, 7 en 8 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (sub d).
Op dit moment is het wetsvoorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven22 aanhangig op grond waarvan aan art. 14 lid 2 aanhef en onder b RWN het misdrijf van art. 134a WvSr wordt toegevoegd.23
Voor intrekking op deze grond is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen (van rechtswege, optie of naturalisatie).24 De intrekking mag op grond van art. 14 lid 6 RWN niet tot gevolg hebben dat de betrokkene staatloos wordt. Wanneer betrokkene dus enkel de Nederlandse nationaliteit heeft, mag deze niet op grond van art. 14 lid 2 RWN worden ingetrokken. Indien betrokkene wel beschikt over een andere nationaliteit en de Nederlandse nationaliteit wordt op grond van art. 14 lid 2 RWN ingetrokken, dan kan de Nederlandse nationaliteit niet meer opnieuw worden verkregen.25 De intrekking heeft gelet op art. 2 lid 1 RWN geen terugwerkende kracht.
Intrekking op grond van art. 15 lid 1 onder d en f RWN
Intrekking kan op grond van art. 15 lid 1 sub d en f RWN plaatsvinden ingeval het Nederlanderschap is verkregen door optie (sub d) of naturalisatie (sub f) en de betrokkene heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.26 Alvorens het Nederlanderschap te verkrijgen, dient betrokkene toe te zeggen bereid te zijn om de andere nationaliteit te verliezen. Deze toezegging is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor de Nederlandse nationaliteit. Het intrekken van het Nederlanderschap op grond van art. 15 lid 1 onder d en f RWN kan dan ook worden gezien als een reactie op het niet voldoen aan de voorwaarde om voor het Nederlanderschap in aanmerking te komen.27 Het doel van de intrekking is het tegengaan van een dubbele nationaliteit.
Wat betreft de vraag wanneer tot intrekking mag worden overgegaan heeft de Afdeling overwogen:
‘Eerder (uitspraak van 25 augustus 2004 in zaak no. 200308548/1, JV 2004/404) heeft de Afdeling overwogen dat deze bepaling aldus dient te worden gelezen, dat de verleende Nederlandse nationaliteit met toepassing daarvan slechts mag worden ingetrokken, indien betrokkene, in strijd met een door hem ondertekende verklaring, opzettelijk zijn oorspronkelijke nationaliteit niet heeft opgegeven.’28
De intrekking heeft geen terugwerkende kracht. De betrokkene verliest het Nederlanderschap vanaf de datum van het intrekkingsbesluit.29