Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/271
271 Art. 6:130 BW breidt de verrekeningsbevoegdheid van de debiteur na overgang van de vordering uit
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD40697:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Faber 2005, nr. 244.
Zie hiervóór par. 2.3.
Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 500, Van Gaalen 1996, p. 41-42, Asser/Hartkamp 4-I 2004, nr. 541-542 en Faber 2005, nr. 231 en 236.
Naar het tot 1992 geldende recht kon een debiteur na cessie van een vordering slechts tegenvorderingen in verrekening brengen die op het moment van de betekening van de cessie bestonden en opeisbaar waren. Zie art. 1467 lid 2 OBW en De Klerk-Leenen en Klomp 1998 (Verbintenissenrecht), art. 6:130 BW, aant. 3. De ‘gerechtvaardigde verwachting’ van de debiteur was de reden om naar huidig recht ook verrekening van uit dezelfde rechtsverhouding na de cessie voortvloeiende tegenvorderingen mogelijk te doen zijn; zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 500.
Na overgang van een vordering onder bijzondere titel, bijvoorbeeld door cessie, is niet langer voldaan aan het wederkerigheidsvereiste. Om die reden zou, zonder een wettelijke regeling als in art. 6:130 BW, de debiteur tegenvorderingen op zijn oorspronkelijke schuldeiser niet langer kunnen verrekenen. Hij zou uitsluitend tegenvorderingen op zijn nieuwe schuldeiser, de cessionaris, kunnen verrekenen. Het bepaalde in art. 6:130 lid 1 BW breidt de verrekeningsmogelijkheden van de debiteur van een gecedeerde vordering uit; ondanks de overgang van de vordering op een andere schuldeiser mag de debiteur de in dat artikel genoemde tegenvorderingen op de oude schuldeiser verrekenen.1
Bij de cessie van een vordering geldt als uitgangspunt dat de juridische positie van de debiteur van die vordering daardoor niet noemenswaardig mag verslechteren.2 Het is in overeenstemming met dit uitgangspunt dat door cessie van een vordering de verrekeningsmogelijkheden die de debiteur jegens de cedent had of mogelijk nog zou krijgen hem niet geheel worden ontnomen. Het zou onbillijk zijn als de debiteur de verrekeningsmogelijkheden die hij vóór de mededeling aan hem van de cessie had of waarvan hij mocht verwachten dat hij die mogelijk zou verkrijgen, door de cessie zou verliezen.
Voor de wetgever is dit de reden geweest om in art. 6:130 BW een regeling te treffen waardoor een schuldenaar van een vordering, na de overgang van die vordering onder bijzondere titel, grosso modo de verrekeningsmogelijkheden behoudt die hij vóór de overgang jegens de cedent had of waarvan hij, gelet op het verband van zijn vordering op de cedent met zijn schuld aan de cedent, mocht verwachten dat hij die zou verkrijgen.3
De debiteur van een vordering mag na overgang onder bijzondere titel van die vordering zijn tegenvordering op de oude schuldeiser in verrekening brengen indien voldaan is aan één van de vereisten van art. 6:130 lid 1 BW: de tegenvordering (i) bestond reeds en was opeisbaar op het tijdstip van de overgang of (ii) vloeit voort uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering.4