Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/356:356 Tegenwerpen aan de pandhouder?
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2026/356
356 Tegenwerpen aan de pandhouder?
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 24-04-2026
- Datum
24-04-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD102910:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mijns inziens moet tot uitgangspunt worden genomen dat een wijziging van een verpande vordering, als gevolg van een wijziging van de overeenkomst tussen de pandgever en de debiteur, in beginsel door de pandgever en de debiteur aan de pandhouder kan worden tegengeworpen. Het nadeel dat de pandgever en de debiteur zouden kunnen leiden door het de facto blokkeren van hun rechten om hun overeenkomst te wijzigen, weegt niet op tegen het voordeel dat de pandhouder hierbij zou kunnen hebben. Bovendien zou het niet logisch en niet consistent zijn als de pandgever en de debiteur, zoals hiervóór verdedigd,1 wel de beëindiging, maar niet een wijziging van hun overeenkomst aan de pandhouder zouden mogen tegenwerpen. Onder omstandigheden zal de pandhouder die door een wijziging van de overeenkomst wordt benadeeld daartegen kunnen ageren, bijvoorbeeld met een beroep op de pauliana.2
Een uitzondering zou ik willen aannemen voor wijzigingen die, naar de gevolgen daarvan, kunnen worden gelijkgesteld met het doen van gehele of gedeeltelijke afstand, door de pandgever, van de verpande vordering(en) uit de overeenkomst; zie hetgeen hiervóór, in paragraaf 12.3, is opgemerkt over de mogelijkheid om afstand van een vordering aan de pandhouder tegen te werpen.
Dezelfde uitzondering zou ik willen aannemen voor inbetalinggeving,3 die onder het huidige recht weliswaar niet als een afstand van de vordering tot betaling van de oorspronkelijk verschuldigde prestatie wordt gezien, maar die daar in zoverre mee gelijk kan worden gesteld dat de schuldenaar van de oorspronkelijk door hem verschuldigde prestatie wordt bevrijd.4